Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

maatschappij - (vereniging)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

maatschappij [vereniging, samenleving] {1616 als ‘vereniging’; de betekenis ‘samenleving’ 1724} afgeleid van maatschap.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

maatschappij znw. v., sedert de 17de eeuw gevormd uit het oudere maatschap, mnl. maetscap, masscap ‘genootschap; maat, gezel; gezamenlijke handwerksgezellen; besloten gezelschap; gemeenschappelijke maaltijd’, waarsch. < mnd. mātschop ‘genootschap, handelsvereniging, drink vereniging; gezel’. — Afgeleid van maat 2.

Bij de ontwikkeling van de bet. moet men uitgaan van de middeleeuwse gilden, want hier was het jaarlijkse gildemaal een centraal punt van het verenigingsleven; het ging op heidense offermaaltijden terug, eig. offergemeenschappen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

maatschappij znw., sedert de 17. eeuw. Van ’t bij maat II genoemde mnl. maetscap.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

maatskappy s.nw.
1. Samelewing. 2. Vereniging van persone tot 'n handelsvereniging, genootskap.
Uit Ndl. maatschappij (Mnl. maetschap 'genootskap, vereniging, vennootskap'), o.a. as term in die handel en nywerheid (1642) en in die bet. 'samelewing' (1724). Ndl. maatschappij is gevorm van en bestaan naas maatschap, en stem wat bet. betref baie daarmee ooreen.
Vanuit Afr. in S.A.Eng. in die vorm Maatschappij (1857), 'n verouderde benaming deur die Boere vir 'n vorm van plaaslike regering wat in die destydse Oranje Vrystaat, die Transvaalse Republiek en die Republiek van Natalia gebruik is (Silva 1996).

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

maatschappij’ (de, -en), (i.h.b.:) groot bedrijf, onderneming. Mijn vader stierf toen ik twintig was, een bedrijfsongeval, zei ze bitter, m’n moeder kreeg een jaar lang geld van de maatschappij, toen was het afgelopen (Doelwijt 1972b: 104). - Etym.: In AN verouderend.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

maatskappy: in verbg.: in maatskappy koop in bet. “deelgenootskap” sedert end 17e eeu in Ndl. veroud., maar Scho (TWK/ NR 7, 2, p. 12) gee vb. van gebr. in S.A. teen end 18e eeu en verkl. dat dit in Afr. “nog goed bekend” is.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

maatschappij ‘vereniging; samenleving’ -> Fries maatskippij ‘vereniging; samenleving’; Vastelands-Noord-Fries moskepii ‘kameraadschap, handelsgezelschap’; Duits † Maskopei ‘handelsgezelschap’; Duits † Maatschappy ‘handelsonderneming’; Deens maatschappij ‘handelsgezelschap’; Deens maskepi ‘geheime verstandhouding’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors maskepi ‘geheimzinnig gedoe, geheime verstandhouding’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds maskopi ‘geheime verstandhouding’ (uit Nederlands of Nederduits); Pools maszoperia ‘handelsgezelschap’; Zuid-Afrikaans-Engels Maatschappij ‘vorm van lokaal bestuur in de voormalige Boerenkolonies’ ; Indonesisch maskapai, maskapé ‘handelsgezelschap’; Javaans maskapé, maskepè, maskepik ‘handelsgezelschap; Ned. Handelmij.; Nederlands-Indische Spoorwegmaatschappij’; Menadonees matskappij ‘vereniging’; Negerhollands maatskap ‘samenleving, vereniging, gemeenschap’; Sranantongo maskapei ‘samenleving’; Surinaams-Javaans maskapèi ‘onderneming’.

N. van der Sijs (2006), Klein uitleenwoordenboek, Den Haag

maatschappij. Het ontstaan van het woord maatschappij voor 'een vereniging tot het drijven van handel' is nauw verbonden met de oprichting van de Verenigde Oost-Indische Compagnie in 1602. De voc was een onderneming waarvoor het kapitaal werd verstrekt door een groep kapitaalkrachtige handelslieden. Men sprak ook wel van de Oostindische Maatschappij of maetschappy. Het woord maatschappij is een afleiding van maatschap, dat in de veertiende eeuw is gevormd van maat 'makker, gezel, helper' en het achtervoegsel -schap, waarmee verzamelnamen worden gevormd: een maatschap is dus een verbintenis van twee of meer personen.

Doordat de voc in de zeventiende eeuw internationaal een toonaangevende handelsmaatschappij was, werd het Nederlandse woord maatschappij door andere talen overgenomen. In het Middelnederduits leende men het in de vorm matschoppie, in het Duits sprak men van Maskopei - inmiddels is dit verouderd en vervangen door Gesellschaft.

In het Deens en Noors is het woord geleend als maskepi en in het Zweeds als maskopi. Daarnaast heeft het Deens ook de Nederlandse vorm maatschappij ongewijzigd overgenomen, althans volgens een Deense vreemdewoordentolk. Het Deense en Noorse maskepi en het Zweedse maskopi hebben een aardige betekenisontwikkeling doorgemaakt, zij betekenen namelijk 'heimelijke betrekkingen, intrigue'. Hierbij kan sprake zijn van invloed van het Noorse werkwoord maskere (Zweeds maskera) 'maskeren', maar het ligt meer voor de hand dat de betekenisverschuiving plaatsvond omdat de Denen, Noren en Zweden weinig vertrouwen hadden in de handelslieden die zich hadden verenigd in de Nederlandse handelsmaatschappij, die immers een geduchte concurrentie vormde voor de eigen handel.

In het Pools is maatschappij geleend als maszoperia 'handelsmaatschappij'. Een informant vermeldt dat dit woord in Kaszuby voorkomt, een gebied aan de Oostzee in de buurt van Gdańsk, waar het wordt gebruikt voor 'een coöperatieve organisatie van kleine vissers'.

In het Indonesisch is het Nederlandse woord geleend als maskapai 'handelsonderneming', in het Javaanse als maskapé, maskepé, en in het Sranantongo als maskapei.

Uit de voorbeelden blijkt dat sommige talen het Nederlandse maatschappij hebben geleend met in de tweede lettergreep een -o- in plaats van de Nederlandse -a-. Zo luidde de Middelnederduitse vorm als gezegd matschoppie. Deze -o- geeft wellicht de toenmalige Nederlandse uitspraak weer: in die periode werd een a regelmatig als /ao/ of /oa/ uitgesproken, denk bijvoorbeeld aan de huidige dialectuitspraak /woater/. De Duitse en Zweedse woorden kunnen overigens ook via het Middelnederduits zijn geleend.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

maatschappij vereniging 1616 [WNT]

maatschappij samenleving 1724 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal