Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

maatjesharing - (haring waarbij hom of kuit nog niet ontwikkeld is)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

maatjesharing* [haring waarbij hom of kuit nog niet ontwikkeld is] {maetgens, haringh 1604} uit middelnederlands magedekenharinc, maechdekensharinc, madekenharinc {1466-1467} het eerste lid is een verkleiningsvorm van maget [maagd, jonkvrouw, jonkman], de betekenis is dus: jonge haring.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

Maatjesharing

Iedereen denkt dat maatjesharing haring is van een bepaalde afmeting of haring die per maat of in een maatje wordt verkocht – als men tenminste over de betekenis van het woord denkt. Niets is echter minder waar. In oude geschriften vindt men de oorspronkelijke naam terug. Die luidt: maeghdekensharing, d.w.z. jonge haring zonder hom of kuit. Deze ‘maagdelijke’ haring staat bekend als zeer vet en smakelijk. Men zou nu geneigd zijn te denken dat maatjespeer op dezelfde wijze is ontstaan uit maagdepeer en dat vooral, omdat een bepaald soort peren maagdeperen heten. Het is echter duidelijk dat maatje- in maatjespeer niet een groeistadium kan aanduiden. Bovendien is de maagdepeer een andere soort dan de maatjespeer. De laatste heet zo omdat hij omstreeks St. Maarten rijp is, of omdat hij bij het maatje verkocht wordt. Dit laatste lijkt onwaarschijnlijk. Maagdepeer blijft raadselachtig.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

maatjesharing znw. m. ontstaan uit Kiliaen maeghdekens haerinck ‘halec virginea’, mnl. (Zutphen 1466-7) meeckenshēring, mēdykens hēring, mnd. mādikes hērink. — > nhd. matjeshering, nde. matjessild; > ne. matie (eerst 1858, maar stellig reeds sedert de 16de eeuw in dialecten, vgl. Bense 213).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

maatjesharing znw. Vervormd uit Kil. maeghdekens haerinck “halec.... virginea . . .”. Vgl. mnd. mādikes hērink, mnl. (Zutphen l466—67) meeckenshēring, mēdykenshēring “maatjesharing”. Uit ’t Ndl. hd. ma(a)tjeshering m., de. matjessild.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

maatjesharing m., uit maagdetjesharing + Ndd. madikeshering.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (1998), Geleend en uitgeleend: Nederlandse woorden in andere talen en andersom, Amsterdam

ansjovis, bokking, garnaal, haai, kabeljauw, labberdaan, maatjesharing, makreel, potvis

De meeste mensen denken bij Nederlandse leenwoorden in andere talen onmiddellijk aan maritieme termen. Ik betwijfel of het Nederlands inderdaad voornamelijk maritieme termen heeft uitgeleend, maar daarop kom ik elders nog wel eens terug. Dát er maritieme termen zijn uitgeleend, staat buiten kijf. Bijvoorbeeld aan het Duits. Laten we ons beperken tot visnamen. De Nederlandse benamingen ansjovis, bokking, garnaal, haai, kabeljauw, labberdaan, maatjesharing, makreel en potvis zijn door het Duits overgenomen als Anschovis, Bückling, Garnele, Hai, Kabeljau, Lab(b)erdan, Matjeshering, Makrele en Pottfisch. De meeste ontleningen zijn al oud: in de veertiende eeuw is makreel geleend, in de vijftiende eeuw bokking, in de zestiende eeuw garnaal, in de zeventiende eeuw zijn ansjovis, haai, kabeljauw en labberdaan geleend, en in de achttiende eeuw maatjesharing en potvis.

Enkele van deze visnamen zijn in het Nederlands gevormd, maar de meeste hebben wij zelf ook weer geleend. De zee is van oudsher een ontmoetingsplaats geweest voor verschillende volkeren die verschillende talen spraken. De taal van de zee is dus altijd internationaal geweest, al in de klassieke Oudheid, toen de Middellandse Zee het middelpunt van de westerse wereld vormde. De mediterrane handelstaal die daar ontstond, kreeg in de zestiende eeuw zelfs een speciale naam, lingua franca, wat Italiaans is voor ‘Franse of Frankische taal’. De woordenschat van deze taal bestond voornamelijk uit Italiaanse woorden met versimpelde uitgangen, en leenwoorden uit het Frans, Spaans, Grieks, Arabisch en Turks. Met ‘Franse’ taal bedoelden de Arabieren en de andere gebruikers waarschijnlijk ‘Europese’ taal. Ook in de noordelijke zeeën ontmoetten vissers van allerlei nationaliteiten elkaar, en ook hier ontstond een speciale gemeenschappelijke woordenschat. De visnamen kunnen dit illustreren; het is leerzaam de wegen te volgen die ze afgelegd hebben.

‘Echt’ Nederlands zijn bokking, maatjesharing en potvis. De herkomst van de naam van de gerookte haring, bokking, vroeger ook wel boksharing, heeft Kiliaan in 1599 al uiteengezet. Het woord is afgeleid van de dierennaam bok ‘a foedo odore’ — vanwege de onaangename geur. De uitgang -ing wordt vaak bij visnamen gebruikt, denk aan haring, paling, spiering, wijting. In het Middelnederlands was de vorm buckinc (een bok heette toen ook buc), en het woord is het eerst in 1285 gevonden. De Middelnederlandse vorm wordt nog weerspiegeld in de oudste Duitse vorm bückinc. De l is in het Duits waarschijnlijk toegevoegd naar analogie van andere Duitse mannelijke woorden op -ling, zoals Schilling en Weißling ‘wijting’.

Kiliaan gebruikte in 1599 maeghdekens haerinck met als omschrijving ‘halec prima virginea, [...] lactibus et ovis carens’, letterlijk: eerste maagdelijke vismengsel zonder melk (hom) of eieren (kuit). Hieruit blijkt dus de herkomst van maatjesharing: het eerste deel is maagd, en maatjesharing is dus zeer jonge haring, waarbij de hom of kuit nog niet ontwikkeld is. Het Duits heeft het woord op de klank overgenomen, zonder dat de oorsprong ervan werd onderkend.

De potvis, wiens naam voor het eerst in 1634 is aangetroffen, is een enorm dier dat behoort tot de walvisachtigen en door zijn omvang groot respect afdwong. Potvissen spoelden ook vroeger al op het strand aan. Het dier heeft een logge, van voren afgeplatte kop. Uit de oude variant potshoofd blijkt, dat het hieraan zijn naam te danken heeft: de kop van het dier werd vergeleken met een pot. Vroeger noemde men het dier ook wel potswal of potwalvisch. Het Duits heeft beide vormen van ons overgenomen en kent dan ook zowel Pottfisch als Pottwal.

De andere visnamen zijn geleend uit talen waarmee wij op zee contact hadden. Ansjovis hebben we overgenomen uit Spaans anchoa, ouder anchova. De oudste Nederlandse vorm, in 1518, luidde anchiovis. Door volksetymologie heeft het woord bij ons de uitgang -vis gekregen en in die vorm is het door het Duits overgenomen.

Haai is een leenwoord uit het Noorden. We hebben het ontleend aan Oudnoors hár, en wel in de tweede helft van de vijftiende eeuw. De Duitsers hebben het weer van ons overgenomen, aanvankelijk uit reisverhalen, want veel haaien zwommen er niet in de Noordzee. Het Duits heeft Hai ook ter verduidelijking uitgebreid tot Haifisch.

Over de herkomst van kabeljauw hebben verschillende wnt-redacteuren zich het hoofd gebroken, maar desondanks is het probleem nog niet opgelost, en of dat ooit zal gebeuren is de vraag. Het probleem van deze oude visnamen is, dat zij in zoveel talen voorkomen en — door de mondelinge overdracht van taal tot taal — in zoveel verschillende vormen, dat het bijkans onmogelijk is de herkomst te bepalen. De oudste vorm, uit 1272, luidde cabellau. Andere vormen waren cabbeliau, cablau. Al in 1163 werd het woord in het middeleeuws Latijn genoemd: in een in Vlaanderen geschreven stuk is sprake van centum cabellauwi ‘honderd kabeljauwen’. Vanaf eind zestiende eeuw kwamen ook vormen voor als bak(k)eljauw, bakelauw.

De eerste wnt-redacteur die zijn tanden in het probleem van de herkomst van kabeljauw heeft gezet, was de bekende lexicograaf Matthias de Vries. In een noot bij een artikel uit 1870 wijst hij erop dat de kabeljauwvisserij voor de Basken een belangrijk middel van bestaan was, en dat zij al vroeg in de verre zeeën bij Newfoundland op kabeljauw visten. Daarom meent hij dat bakkeljauw geleend is uit Baskisch bacallaoá. De vorm kabeljauw zou ontstaan zijn door omzetting van bak in kab.

wnt-redacteur C.C. Uhlenbeck was het hiermee niet eens. In een artikel uit 1892 meende hij dat juist andersom de Basken hun woord aan ons kabeljauw hebben ontleend, en dat de omzetting van kab in bak in het Baskisch heeft plaatsgevonden, waar dit verschijnsel vaker optreedt. Vervolgens zou het Nederlands de omgezette vorm teruggeleend hebben uit het Baskisch, vandaar de vorm bakkeljauw. Maar waar kwam het oorspronkelijke kabeljauw dan vandaan? In de ogen van Uhlenbeck moest de oorsprong in het Russisch gezocht worden, en wel in de — overigens slechts door hem aangenomen — benaming koblovaja (ryba). Ryba betekent ‘vis’ en koblovaja is een afleiding van kobl ‘paal, staak’; de vis zou dus in het Russisch letterlijk ‘stokvis’ heten. De o in de eerste lettergreep is onbeklemtoond en wordt in het Russisch als a uitgesproken.

Uhlenbeck wist de taalkundige wereld niet te overtuigen. In 1927 waagde zijn collega Kluyver een volgende poging. Zijn artikel bevat veel mitsen en is voornamelijk gebaseerd op gereconstrueerde vormen, wat de argumentatie er niet sterker op maakt. Naar zijn mening is de Baskische vorm ontleend aan Spaans bacal(l)ao, een mening die men tot op heden is toegedaan. Maar de redenering die hij dan ontvouwt, vindt tegenwoordig geen aanhang meer. De Spaanse vorm zou volgens hem teruggaan op een niet gevonden middeleeuws Latijnse vorm baccallanus, baccallaris ‘geestelijke’. Deze naam zou later overgedragen zijn op de vis (zoals in het Frans capelan de naam voor een kleine vis is). Dit woord zouden wij van Spaanse of Baskische vissers overgenomen hebben. Daarnaast zouden wij Franse visnamen kennen die beginnen met ca-, zoals cabot, chabot, wat een afleiding is van Latijn caput ‘kop’; de vis is dus eigenlijk de ‘dikkop’. Vervolgens zouden wij bakeljauw en cabot met elkaar verward hebben, met als resultaat kabeljauw.

In zijn etymologisch woordenboek van 1991 verwijst wnt-redacteur De Tollenaere deze verklaring definitief naar het rijk der fabelen. Spaans bacalao is pas sinds 1519 bekend, dus hoe zou kabeljauw, dat al in de twaalfde eeuw voorkomt, een omzetting van dit Spaanse woord kunnen zijn? Maar wat is dán de herkomst van kabeljauw? Sommige romanisten hebben als oorsprong Gascons cabilhau aangewezen, dat een afleiding van cap ‘kop’ zou zijn, maar de meeste romanisten menen toch dat de Romaanse vormen allemaal aan het Nederlands ontleend zijn, omdat het woord het eerst in Vlaanderen is gevonden. De vraag naar de herkomst van het woord staat dus nog open.

De herkomst van bakeljauw lijkt inmiddels wél duidelijk. Dit woord is, via Spaanse of Baskische vissers, ontleend aan Spaans bacalao (waarbij we in het midden laten waar dit dan vandaan komt). Het woord bak(k)eljauw voor ‘kabeljauw’ is uit het Nederlands verdwenen, maar wordt in het Surinaams-Nederlands nog veel gebruikt voor ‘sterk gezouten, gedroogde en weer opgeweekte kabeljauw, schelvis of heek’, en zo heeft het woord bij ons zijn rentree gemaakt.

Ook de labberdaan, de gezouten kabeljauw, heeft heel wat pennen in beweging gebracht. De conclusie luidt, dat we de labberdaan ontleend hebben aan een Franse vorm labourdan. Dit woord is afgeleid van Le Labourd, de naam van een deel van het Baskenland waarvandaan de Basken op kabeljauw gingen vissen bij het verre Newfoundland. De Basken zoutten de vis in, om hem tijdens de lange reis goed te houden. De oudste vormen in het Nederlands waren abberdane (de l- werd beschouwd als het Franse lidwoord l’) uit 1510 en habourdaen uit 1514. De vorm labberdaen is voor het eerst in 1618 gevonden.

Het woord makreel heeft een verrassende geschiedenis. Het is zijn loopbaan waarschijnlijk in het Nederlands begonnen als makelaar ‘tussenhandelaar’. Dit makelaar is door het Frans geleend, alwaar het de vorm maquerel ‘koppelaar’ kreeg (tegenwoordig maquereau). Vervolgens is dit woord overgedragen op de vis; de vorm makerel ‘makreel’ dateert van 1140. Volgens het volksgeloof volgt de makreel namelijk de jonge haring, de maatjesharing, en brengt de mannetjes en wijfjes bij elkaar, koppelt ze. Zo kreeg maquerel in het Frans twee betekenissen: ‘koppelaar, pooier’ en ‘makreel’. In die laatste betekenis werd het in het Nederlands teruggeleend in de vorm makreel, gevonden in 1270 als makerreel. En laat makreel nu in het Bargoens de betekenis ‘pooier’ hebben!

De herkomst van garnaal ten slotte is niet zeker. Het Woordenboek der Nederlandsche Taal geeft vele suggesties, maar beëindigt het artikel met de verzuchting: ‘[...] waaruit genoegzaam blijkt, dat de oorsprong des woords nog niet is opgehelderd.’ Het woordenboek van De Tollenaere geeft eveneens een aantal, deels weer nieuwe, suggesties, maar acht het gezien de oudste vorm gheernaert (omstreeks 1530) het meest waarschijnlijk dat het woord teruggaat op de persoonsnaam Geernaert, die aan het middeleeuws Latijn is ontleend. Dieren krijgen wel vaker een persoonsnaam, denk bijvoorbeeld aan keeshond, pietje voor een kanarie (dit kan ook klanknabootsend zijn) en misschien pier ‘worm’. Naast de vorm garnaal (1657) kenden we vroeger ook garneel, en die vorm is terug te vinden in Duits Garnele.

Tot zo ver de herkomst van de visnamen. Nu de verbreiding. Hebben behalve het Duits nog andere talen deze Nederlandse woorden geleend? Jawel. Zo vinden we bijvoorbeeld — de opsomming is niet uitputtend — ansjovis ook in het Russisch (ančous) en Fries (ansjofisk). Het woord komt ook voor in het Engels (anchovy) en Frans (anchois), maar deze talen hebben direct uit het Spaans geleend, niet via het Nederlands. De bokking heet in het Fries bokking en in het Zweeds böckling, dat blijkens de l geleend is via het Duits. De Friezen noemen de garnaal onder andere garnaal, garneel, de Engelsen gebruikten in het verleden garnel, gernel. De haai is door het Zweeds en het Deens overgenomen als haj, wat opmerkelijk is omdat wij het woord uit het Oudnoors, de voorloper van de Scandinavische talen, hebben geleend! In verouderd Engels werd hij haye genoemd, en de Friezen zeggen nog steeds haai. De kabeljauw vinden we terug in Frans cabillaud, Engels cabilliau (geleend via het Frans), Fries kab(b)eljau, Zweeds kabeljo en Deens kabliau. De Russen noemen de labberdaan een laberdan. De Denen hebben maatjesharing gedeeltelijk vertaald: in matjessild is sild het Deense woord voor haring. In het Engels is maatjesharing verkort tot matie. De makreel vinden we terug in Zweeds makrill, Deens makrel, Noors makrell, Fries makriel en Russisch makrel’ (Engels mackerel is uit het Frans geleend). De potvis ten slotte heet in het Fries potfisk en werd in het Engels vroeger wel pot-fish genoemd.

Hiermee lijkt wel bewezen dat in het verleden ook in de noordelijke zeeën een lingua franca gesproken werd, en dat het Nederlands in de woordenschat van deze lingua franca een niet te onderschatten rol gespeeld heeft.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Maatjesharing: haring, waarin nog geen hom of kuit aanwezig is; vroeger: maeghdekensharinck (= maagdelijke haring), waarvan het een verkorting is.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

maatjesharing, maatje ‘haring waarbij hom of kuit nog niet geheel ontwikkeld is’ -> Engels mattie (herring) ‘haring waarbij hom of kuit nog niet geheel ontwikkeld is’; Schots † mattie; matkie, madgie ‘haring waarbij hom of kuit nog niet geheel ontwikkeld is’; Duits Matjeshering ‘haring waarbij hom of kuit nog niet geheel ontwikkeld is’; Deens matjessild, matjes, maatjes ‘haring waarbij hom of kuit nog niet geheel ontwikkeld is’; Noors matjessild, matjes ‘haring waarbij hom of kuit nog niet geheel ontwikkeld is’; Zweeds matjessill ‘haring waarbij hom of kuit nog niet geheel ontwikkeld is’; Fins matjessilli, matjes ‘haring waarbij hom of kuit nog niet geheel ontwikkeld is’ ; Tsjechisch matjes ‘haring waarbij hom of kuit nog niet geheel ontwikkeld is’ ; Pools matiesy, matiasy ‘haring waarbij hom of kuit nog niet geheel ontwikkeld is’.

N. van der Sijs (2006), Klein uitleenwoordenboek, Den Haag

haring. De haringvisserij in de Noordzee is van oudsher voor de Lage Landen van groot belang geweest. In de zestiende en zeventiende eeuw, toen de vangst een hoogtepunt bereikte, vormde Vlaanderen het centrum. Het woord haring komt in alle Germaanse talen voor, en is in de Germaanse periode, dat wil zeggen in de eerste eeuwen na het begin van de jaartelling, overgenomen door het vulgair Latijn, de voorganger van de Romaanse talen, als haringus; vandaar dat men tegenwoordig in het Italiaans spreekt van aringa en in het Spaans van arenque. De Franse vorm hareng gaat misschien terug op de vulgair Latijnse vorm, maar is in ieder geval ook later nog uit het Nederlands geleend. Zo noemt men verse haring in het Frans hareng frais en gerookte haring heet hareng saur, waarin het woord saur teruggaat op het Nederlandse zoor 'droog'; vroeger sprak men in het Nederlands namelijk van zoore haring, en die benaming is in het Frans bewaard gebleven. Een veel jongere ontlening aan het Nederlandse haring is het Papiamentse haring. In het Kroatisch komt haringa voor, volgens het woordenboek geleend uit het Duits, en in het Macedonisch charinga, volgens het woordenboek geleend uit het Engels. Ontlening aan het Nederlands lijkt in beide gevallen echter waarschijnlijker, vanwege het feit dat de Duitse en Engelse woorden een /e/-klank hebben (Hering, herring). Wel moet opgemerkt dat in het Oudhoogduits de vorm harinc bestond; dan zou het dus om een zeer oude ontlening in het Kroatisch gaan.

Het Nederlands kent verschillende benamingen voor de ontwikkelingsstadia van de haring, die tevens een kwaliteitsoordeel inhouden. Het vetgehalte van de haring hangt nauw samen met de ontwikkelingsgraad van de geslachtsproducten, vandaar de benamingen maatjesharing, volle haring en ijle haring. Bij maatjesharing is de hom of kuit nog zeer weinig ontwikkeld, en hij geldt daarom als het smakelijkst. Het is niet op het eerste gezicht duidelijk waarom deze haring maatjesharing heet. De benaming wordt duidelijk wanneer we de oudste vormen bekijken. In rekeningen van Zutphen uit 1466-1467 is sprake van medykens- en meeckenshering, en de beroemde lexicograaf Cornelis Kiliaan gebruikte in 1599 maeghdekens haerinck met als Latijnse omschrijving 'halec prima virginea, [...] lactibus et ovis carens', letterlijk: 'eerste maagdelijke vismengsel zonder melk (hom) of eieren (kuit)'. Hieruit blijkt de herkomst van maatjesharing: het eerste deel is maagd, en maatjesharing is dus zeer jonge, 'maagdelijke' haring.

Het Nederlandse woord maatjesharing is, voornamelijk in de achttiende eeuw, in diverse talen overgenomen. Het Duits heeft het woord op de klank overgenomen als Matjeshering. De Denen, Noren en Zweden hebben maatjesharing gedeeltelijk vertaald: de Denen en Noren spreken van matjessild (zie illustratie 8) en de Zweden van matjessill, waarin sild en sill de Deens/Noorse respectievelijk Zweedse woorden voor haring zijn. Het Zweedse woord is door het Fins overgenomen als matjessilli. In alle Scandinavische talen wordt het woord ook verkort tot matjes. Een lezer schrijft: 'Op de markt in de haven van Helsinki gebruikt men matjes. Matjes in Finland smaken overigens anders dan onze maatjesharing.' Ook in het negentiende-eeuwse Engels werd een verkorting van maatjesharing gebruikt, namelijk matie; tegenwoordig is dit woord verouderd en spreekt men over young herring. Het achttiende-eeuwse Schots kende de leenwoorden mattie, matkie en madgie. Tot slot is in modern Tsjechisch matjes zeer gebruikelijk.

Bij volle haring zijn de geslachtsproducten goed ontwikkeld. Om hem bij normale temperatuur te kunnen bewaren, wordt deze haring gekaakt en gezouten. Kaken is een manier van conserveren waarbij de vis door middel van een insnijding onder de linker kieuw ontdaan wordt van de kieuwen en een deel van de ingewanden: het hart en een stukje darm. De alvleesklier laat men zitten: die moet de haring verder doen 'rijpen'. De vis wordt in tonnen gelegd en met zout besprenkeld. Het kaken wordt vanaf ongeveer 1400 in de Lage Landen toegepast. Volgens de overlevering is de uitvinding te danken aan een zekere Willem Beukelsz., een arme visser uit Biervliet - zo schrijft Cats 'Beukels heeft voor eerst den haring leeren kaken' -, maar dit lijkt een legende te zijn; in ieder geval zijn er voorlopig geen bewijzen gevonden. In 1312 is wel sprake van een Willem Beukelsz. in Biervliet, maar deze was schepen en niet een eenvoudige visser. Het werkwoord kaken is afgeleid van kaak, omdat de insnijding onder de kaak plaatsvindt. Het woord kaken is overgenomen door het Frans, waar men spreekt van caquer des harengs.

De haring wordt ook wel gerookt in plaats van gekaakt. Gerookte haring noemt men bokking. De herkomst van deze naam, vroeger ook wel boksharing genoemd, heeft Kiliaan in 1599 al uiteengezet. Het woord is afgeleid van de dierennaam bok 'a foedo odore' - vanwege de onaangename geur. De uitgang -ing wordt vaak bij visnamen gebruikt, denk aan haring, paling, spiering en wijting. In het Middelnederlands was de vorm buckinc (een bok heette toen ook buc), en dit woord is voor het eerst in 1285 gevonden. De Nederlandse naam is al in de vijftiende eeuw overgenomen in het Duits, aanvankelijk in de vorm bückinc. Tegenwoordig luidt de naam in het Duits Bückling. De l is waarschijnlijk toegevoegd naar analogie van andere Duitse mannelijke woorden op -ling, zoals Schilling en Weißling 'wijting'. Het Nederlandse woord bokking is ook buiten Europa bekend geworden; zo kent men in het Sranantongo de bokun en in het Papiaments de bòkel.

IJle haring ten slotte heeft gepaaid, is zeer mager en is vooral geschikt voor marineren en het bereiden van rolmops. Het woord rolmops heeft het Nederlands waarschijnlijk ontleend aan het Duitse Rollmops, dat in de negentiende eeuw is gevormd en van Berlijn uit is verbreid. Het woord is een samenstelling van het werkwoord rollen 'oprollen' en de hondensoort Mops (een Nederlands uitleenwoord, zie mops hieronder), vanwege de vormgelijkenis tussen de opgerolde haring en de gedrongen gestalte en platte neus van de hond. De slotregels van het Duitse drinklied 'Trink'n wir noch ein Tröpfchen' van W. Hinsch luiden: 'Alle Möpse beißen, Nur der kleine Rollmops nicht.'

Het woord rolmops is in veel talen bekend, maar wordt dan meestal geschreven met dubbele l, waaruit blijkt dat het woord is ontleend aan het Duits (soms via het Engels), en niet aan het Nederlands. Zo kent men in het Frans, Engels, Deens, Noors, Zweeds de rollmops. Toch komt op websites in deze talen ook de spelling rolmops voor, zodat het woord wellicht zowel uit het Duits bekend is als uit het Nederlands. Dat ligt eigenlijk ook voor de hand, omdat beide landen grote uitvoerders van het product zijn. In het Pools schrijft men rolmops met enkele l (zie illustratie 9); wellicht is dit woord direct geleend uit het Nederlands. Het Russisch spreekt van rol'mops. Ook in Israël is het product bekend, zo blijkt uit het schrijven van een lezeres:

Twintig jaar geleden woonde ik een poosje in Israël en deed ik enorm mijn best om de taal te leren. Zelfs in de supermarkt oefende ik met de etiketten. Op een dag probeerde ik een etiketje te lezen van een potje haringen, en na veel moeite kwam ik eruit: rolmops! Dat stond er echt! In die supermarkt in Israël begreep niemand waarom ik in m'n eentje zo onbedaarlijk in de lach schoot...

Al deze leenwoorden op het gebied van de haringvangst bewijzen wel hoe groot de invloed van de Lage Landen op dit terrein is geweest.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

maatjesharing* haring waarbij hom of kuit nog niet ontwikkeld is 1599 [Kil.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut