Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

maas - (opening in een netwerk)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

maas zn. ‘opening in netwerk, steek in breiwerk’
Onl. *maska ‘net’, blijkens een glosse nasco [8e eeuw; LS]; mnl. wrsch. in de toenaam philips masch ‘... Philips Vlek’ [1280; VMNW], dan maesce (en spellingvarianten) ‘opening in een netwerk’ in des duvels nette heeft wide maesschen ‘het net van de duivel heeft wijde mazen’ [1337-82; MNW], ‘vlek, smet’ in lelike plecken of maescen int ansichte ‘lelijke plekken of vlekken in het gelaat’ [1351; MNW]; vnnl. mazen (mv.) [1657; WNT]; nnl. maas, ook ‘steek in breiwerk’ [1784; WNT].
Ontwikkeld uit mnl. maeske na wegval van de slot-e volgens de klankovergang mnl. -sk > nnl. -s, zoals in → as 2 ‘verbrandingsrest’.
Westfaals māske ‘maas’; < pgm. *mēskō-. Daarnaast staat met korte klinker pgm. *mask(w)ō-, waaruit: os. maska ‘maas, net, vlek’ (mnd. masche); ohd. masca ‘maas’ (nhd. Masche); nfri. mêsk, mesk ‘id.’; oe. mǣscre ‘vlek’ (maar misschien mæscre), max ‘netten’ (me. mesche, meish, ne. mesh ‘maas’); on. möskvi ‘maas’ (nzw. maska). Oorspronkelijke vormen met korte klinker hebben ook in het Nederlands bestaan, getuige de attestatie uit 1280 en dialectvormen als Zaans maske, Kortrijks vero. maske, West-Vlaams masche (De Bo). Ne. mesh ‘maas’ < me. mesce [1395] (naast vormen als meish, meash met lange klinker) laat zich moeilijk afleiden uit het oe. en is daarom wrsch. als visserswoord ontleend aan het Middelnederlands.
Verdere herkomst onduidelijk. Zeker verwante woorden alleen in het Baltisch: Litouws mãzgas ‘knoop, strik’, Lets mazgs ‘id.’, bij resp. mègsti (1e pers.ev. mèzgu) ‘knopen, breien’ en mežǵêt ‘id.’. De woordfamilie stamt waarschijnlijk uit de taal van jagers en vissers en duidt de vangstrik of het vangnet aan.
De betekenis ‘vlek’ komt zowel in het Middelnederlands als in andere Oudgermaanse talen voor maar is gezien de Baltische betekenissen wrsch. niet de oorspronkelijke. Verband met de wortel pgm. *mas- zoals in → mazelen lijkt dan ook onwaarschijnlijk. Voor de vergelijkbare betekenisovergang, zie Latijn macula ‘lus, maas’ uit ouder ‘vlek op de huid’, zie → malie.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

maas* [oog in netwerk] {ma(e)sche, mase 1301-1400} oudsaksisch maska, oudhoogduits masca (hoogduits Masche), oudengels masc (engels mesh), oudnoors mǫskvi; buiten het germ. litouws mazgas [knoop], mėgsti [breien].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

maas znw. v., mnl. maessce, Kiliaen masche, maesche. De grondvorm is *māskō, măskō vgl. os. māska v. ‘maas, net’ (westfaals maskǝ), ohd.māsca, măsca ‘maas, strik’, oe. max (mv. van *mœsc; ne. mesh kan aan het nl. ontleend zijn), on. mǫskvi. — lit. mãzgas ‘knoop’, mezgù, mègsti ‘breien, netten maken’ (Walde KZ 34, 1897, 514). — > ne. mesh (sedert 1540; vgl. Bense 220).

Güntert Reimw. 1914, 147 vergelijkt nog gr. móschos ‘jonge tak, jong van dieren’ (maar dan < *mósgos onder invloed van óschos ‘jonge tak’). In dit geval moet men uitgaan van een woordgroep voor de werkzaamheden in het jonge bos: daar werd uit jonge takken een vlechtwerk samengesteld voor heiningen, waaruit zich dan het handwerk van ‘breien, knopen’ verder ontwikkelde.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

[Aanvullingen en Verbeteringen] maas. Ags. max is mv. van *mæsc o. “maas”; hierbij kan mæscre als *maskrôn-, even. -irôn-, -arôn- hooren.

maas znw. Kil. masche, maesche, mnl. maessce v. De nnl. spelling met -s is phonetisch en niet etymologisch. Voor ’t mv. mazen vgl. bij lies I. Wij moeten uitgaan van een grondvorm met wgerm. â, waarnaast een andere met ă, die ook ndl. dial. voorkomt (Zaansch maske), â heeft wsch. os. maska v. “maas, net”, blijkens westf. (Soest) mą̂skə; ohd. masca v. “maas, strik” heeft blijkbaar ă (nhd. masche), ags. mæscre v. “macula” (“maas” of “vlek”? Lees mæsce? Eng. mesh) heeft wellicht æ̂, maar ags. max (*masc) o. “net” heeft ă, evenzoo on. mǫskvi m. “maas”. Verwant met lit. mezgù, mègsti “knoopen, breien”, māzgas “knoop”. Met het oog op mnl.’ maesce, Kil. masche, maschel, mascher “vlek, litteeken” combineert men maas en verwanten met mazelen. De bet. “litteeken, vlek” kan zich echter ook wel uit “maas” ontwikkeld hebben en dat is in dit geval veel aannemelijker, omdat 1. maesce “vlek, litteeken” een alleen ndl. woord is, ‘2. mezg- reeds in ’t Idg. “knoopen” beteekende.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

maas. Ags. max mv. van *mæsc o. (v.Wijk Aanv.). Eng. mesh is wsch. aan het Ndl. ontleend en steunt dus niet de lezing ags. mæsce i.p.v. mæscre.
Het is verlokkelijk met Güntert Reimw. 147 ook gr. móskhos, ‘jonge tak, jong van dieren’ te vergelijken (< *mósgos naar het synoniem óskhos ‘jonge tak’), uitgaande van een grondbet. ‘knop, knoest’. Voor verwantschap van woorden van deze bet. met andere, die ‘breien, knopen’ e.d. betekenen, zie bij knop; lit. mãzgas ook = ‘(boom)knop’.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

maas 1 v., Mnl. mase, met bijvorm maesche, Os. maska + Ohd. masca (Mhd. masche, Nhd. id.) Ags. mæsce (Eng. mesh), On. mǫskvi (Zw. maska, De. maske) + Lit. ma͂zgas = knoop, megsti = breien: Idg. wrt. mezɡ = vlechten (z. mazelen).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

maske, zn.: schakel. Mnl. masche, maesche, maessce ‘maas van een net’, Vnnl. masche oft maesche van het net (Kiliaan). Ohd. masca, D. Masche ‘maas’, Os. maska, Fri. mesk. Verwant met Lit. mègzti ‘knopen’. Idg. *mezg- ‘knopen’.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

masche (G), zn. v.: maas. Mnl. ma(e)sche, mase 'vlek, maas', Vnnl. masche oft maesche van het net 'maas van een net' (Kiliaan). Os. maska, Ohd. masca, Mhd., Mnd. masche, D. Masche, Os. maska, oe. masc, E. mesh, On. moskvi, N., De. maske. Vgl. Lit. mègzti 'knopen', mâzgas 'knoop'. Idg. *mezg- 'knopen'. Ww. maschen (G, ZO) en hypercorrect maarschen (E) 'mazen, hermazen'.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1maas s.nw.
1. Enigeen van die reëlmatige openinge in 'n gaas, sif, net, ens. 2. Materiaal met mase (1maas 1).
Uit Ndl. maas (Mnl. mase) 'ogie, opening in netwerk'.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

maske I schakel (Zuiden van West-Vlaanderen, op de grens tussen Limburg en Antwerpen). Vgl. mnl. maessce = nl. maas, hgd. masche, fri. mesk. Van een wortel die knopen betekent en aanwezig is in lit. mãzgas ‘knoop’.
TNZN VIII 8, FWH 407, DELF 376.

masse maas, breisteek (Drente, Noord-Holland). = maske I ↑.
Hadderingh/Veenstra 179, Boekenoogen 615.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

masche (K, DB), zn. v.: maas. Mnl. masche ‘vlek, maas’, Vroegnnl. masche oft maesche van het net ‘macula retis, plaga, foramen reus’ (Kiliaan). Os. maska, Ohd. masca, Mhd., Mnd. masche, D. Masche, Os. maska, On. moskvi, N., De. maske. Vgl. Lit. mègzti ‘knopen’, mâzgas ‘knoop’. Idg. mezg- ‘knopen’. Ww. maschen ‘mazen, hermazen’.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

maas I: ogie v. fyn netwerk; Ndl. maas (Mnl. maessce, by Kil ma(e)sche), Ohd. masca, Eng. (sedert 1540) mesh, verw. hoërop onseker; ook as ww. gebr.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Maas (de mazen van een net), Voorgerm. mesga, van den Germ. wt. mesq, Idg. mezg = vlechten.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

maas ‘oog in netwerk’ -> Engels mesh ‘(oog in) netwerk’; Engels † mass ‘net(werk)’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

maas* oog in netwerk 1301-1400 [MNW]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1492. Door de mazen kruipen.

Vooral door de mazen der wet kruipen in den zin van ternauwernood ontsnappen aan, op listige wijze weten te ontkomen aan de bepalingen der wet; een beeld ontleend aan de jacht of de vischvangst en eig. gezegd van een dier, dat door de mazen van het hem gespannen net, en dus aan het gevaar, ontkomt; Harreb. II, 49: Hij is door de mazen gekropen; Joos, 85: Door de ooge eener naald kruipen, door de mazen kruipen. In het Westvl. door de vluwe schieten, eig. gezegd van den visch, die door de maas van de vluwe (vischnet) heenzwemt en aldus het gevaar ontkomt; fig. met moeite aan een gevaar ontsnappen, door de mazen kruipen (De Bo, 1339). In Twente: deur de moasgen scheten; fri. troch 'e mesken krûpe; fr. passer à travers les mailles du filet.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal