Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

maandag - (tweede dag van de week)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

maandag zn. ‘tweede dag van de week’
Mnl. manendach, maendach ‘maandag’ in smanendachs ‘op de maandag’ [1253; VMNW], maendaghes ‘'s maandags’ [1277; VMNW].
Samenstelling van → maan en → dag, als leenvertaling van diēs Lūnae ‘dag van Luna (de maan)’, dat weer naar het voorbeeld van Grieks hēmérā selēnēs met dezelfde betekenis is gevormd. Het is een van de vertalingen van de Latijnse namen voor de dagen van de week die in de Romeinse tijd in het Germaans zijn ingevoerd, vernoemd naar de hemellichamen zon, maan en de vijf toen bekende planeten (in welk systeem later de dag des Heren en de sabbat een paar veranderingen hebben veroorzaakt).
Mhd. māntac (nhd. Montag); ofri. mōnandei (nfri. moandei, naast mendei uit het mnl.); oe. mōnandæg (ne. monday); on. mánadagr (nzw. måndag), alle ‘maandag’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

maandag* [tweede dag van de week] {maendach 1253} vertalende ontlening aan latijn dies lunae [de dag van de maan] (vgl. frans lundi, italiaans lunedì); het lat. vertaalde uit grieks selènès hèmera, selènès [van de maan], hèmera [dag]. Voor de uitdrukking een blauwe maandag vgl. middelnederlands blau, dat tevens de betekenis ‘geveinsd, schijnheilig, minderwaardig’ had, zodat blauwe maandag ‘een werkdag zonder betekenis’ is, waarop niet wordt gewerkt.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

maandag znw. m., mnl. mânendach, maendach m., mnd. mānendach, māndach, ohd. mānetag (nhd. montag), owfri. mōnendei, mōnedei, monnendei, monnadei, mannendey, oe. mōnandœg, mōndæg (ne. monday), on. mānadagr, een vertaling in de Romeinse tijd van lat. dies Lunae.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

maandag znw., mni. mânendach, maendach m. = ohd. mânetag (nhd. montag), mnd. mân(en)dach, owfri. mône(n)dei, monnendei, monnadei, manne(n)dey, ags. môn(an)dæg (eng. monday), on. mânadagr m. Vertaling van lat. dies Lunae.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

Maandag m., Mnl. maendach, gelijk Ohd. mânatag (Mhd. mântac, Nhd. montag) Ags. mónandæg (Eng. monday), On. mánadagr (Zw. måndag De. mandag), naar Lat. Lunæ dies (Fr. lundi) = dag der maan: z. zondag.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

maondag (zn.) maandag; Vreugmiddelnederlands maendach <1253>.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

Maandag s.nw.
Tweede dag van die week, maar tradisioneel en volgens internasionale afspraak in 1976 in Genève die eerste dag van die week.
Uit Ndl. maandag (Mnl. maendach). Eerste optekening in Afr. in Patriotwoordeboek (1902).
Ndl. maandag is 'n leenvertaling van Latyn dies lunae 'dag van Luna' aangesien hierdie dag aan die Romeinse godin van die maan, Luna, gewy is.
D. Montag (11de eeu), Eng. Monday (ongeveer 1000).

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

maandag (vert. van Latijn dies lunae)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

maandag ‘tweede dag van de week’ -> Frans dialect man'daye, man'dahe ‘manusje-van-alles (die ergens een blauwe maandag werkt), slechte werkman (die een maandagmorgenexemplaar vervaardigt)’; Ambons-Maleis (hari) Mandak ‘tweede dag van de week’; Menadonees mandah ‘tweede dag van de week’; Mohegan-Pequot mundetar ‘tweede dag van de week’; Negerhollands maendag, maandag ‘tweede dag van de week’; Berbice-Nederlands mandaka ‘tweede dag van de week’; Skepi-Nederlands móndak ‘tweede dag van de week’; Arowaks mandakha, mondakha ‘tweede dag van de week’; Tiriyó mandi ‘tweede dag van de week’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

maandag* tweede dag van de week 1253 [CG I1, 46]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

248. Een blauwe Maandag.

Onder den blauwen Maandag (hd. blauer Montag; eng. blue Monday) meent men den Maandag voor het begin der vasten te moeten verstaan, als in de kerk de beelden, het altaar, de doopvont en de kansel met blauwe doeken werden behangen. In de middeleeuwen werd deze dag evenwel goede Maandag genoemd, terwijl niet op dien dag, maar reeds 14 dagen voor den eersten Vastenzondag het behangen met violet-blauwe doeken plaats vondZie mijn art.: Iemand eene blauwe huik omhangen in Noord en Zuid XIV, 31 vlgg. en Borchardt no. 162 noot., zoodat de gewone verklaring om deze redenen moet worden betwijfeld.

In de 17de eeuw wordt deze benaming aangetroffen in Bernagie's klucht van Het Studente-leven, anno 1684, bl. 12: De Jonkers (studenten) zyn alle blaauw maandagen t'huis, en beelden er wel in, datmenze lustig behoorde te onthaalen; Smetius, 99: t Geschiet niet meer dan alle blauw maendags, semper fit, ut quibusdam placet. Hier beteekent ‘alle blaauw maandagen’ elk oogenblik, om een haverklap (Tuinman I, 234), in welken zin men in het fri. ook zegt alle blaumendeis. Het adj. blauw had in de middeleeuwen en ook later de bet. nietig, van weinig waarde (fr. bleuZie Leuv. Bijdr. X, 80; Ndl. Wdb. II, 2789 vlgg. en vgl. nog het fri. blauwe (onware) praetsjes.); vandaar een ‘blauwe maandag’, een maandag van geen beteekenis, die niet meetelt, maar als Zondag, als feestdag beschouwd wordt, waarop men niet werkt (vgl. maandag maken; fr. faire le Lundi; fêter le Lundi; hd. blauen Montag machen; ook blau machen; eng. to blue), d.i. maandag houden of vlaggen (Antw. Idiot. 1382)Vgl. Halma, 333: Maandag houden, 's Maandags niet werken, en in de kroeg gaan, faire le lundi; in het eng. ook to keep saint Monday., dat reeds in het Mnd. voorkomt en bij ons in de 17de eeuw is aangetroffen naast verloren maandag houden d.i. Kopper- maandagDe naam koppermaandag is nog niet voldoende opgehelderd. In het Mnl. Wdb. III, 1886 lezen we, dat men vroeger sprak van coppeldag, copperdag, kopperkensdag. De eerste benaming koppeldag, thans nog in het westvl. bekend in den zin van een op een anderen volgenden feestdag, doet vermoeden, dat de oorsprong wellicht is te zoeken in het ww. koppelen, omdat die feestelijke maandag onmiddellijk op den zondag volgt. Andere verklaringen bij Franck - v. Wijk, 338. houden, in de 16de eeuw Sinte Crispiaen vieren (eig. van de schoenmakersVgl. Menschenw. 322: Die suupt te veul en die hep s'n schoenlappertjes moandag.; Tijdschr. XXI, 92; eng. to make a Saint Crispin's day). Bij uitbr. kon alle blauwmaandagen de bet. aannemen van bij de minste gelegenheid, elk oogenblik, spoedig na elkander, met korte tusschenpoozen; vandaar thans een Blauwe maandag (soms ook een blauwe maand; vgl. eng. a blue moon) = een korte poos, fri. blaumendei. Volgens Schuermans, 38 a beteekent blauwen maandag houden in Limburg op eene kettersche wijze feest vieren. Een synonieme uitdr. was een Blinde Zaterdag, nog in Zuid-Nederland; zie Loquela, 65: blende Zaterdag, Zaterdag die te zelver tijde Hoogdag is, fr. une journée blanche.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut