Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

maand - (elk van de twaalf tijdvakken waarin een jaar is verdeeld)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

maand zn. ‘elk van de twaalf tijdvakken waarin een jaar is verdeeld’
Onl. mānoth in maandnamen zoals hagmanoth ‘hooimaand, juli’ [ca. 1050; CG II-1, 122]; mnl. manet [1253; VMNW], maent [1278; VMNW].
Os. mānuð (mnd. mānt); ohd. mānōd (nhd. Monat); ofri. mōnath (nfri. moanne); oe. mōnaþ (ne. month); on. mánaðr (nzw. månad); got. mēnōþs; alle ‘maand’, < pgm. *mēnōþ-. Zie ook → maan.
Verwant met: Latijn mēnsis ‘maand’; Grieks mḗn ‘maand’, mḗnē ‘maan’; Sanskrit mā́s; Avestisch māh-; Litouws mė́nuo; Oudkerkslavisch měsęcĭ ‘maand’ (Russisch mésjac); Oudiers (genitief mís) ‘maan’; Tochaars A/B mañ/meñe; < pie. *meh1-not-, genitief meh1-neses ‘maan, maand’, mogelijk op te vatten als de ‘tijdmeter’ en dan behorend bij de wortel pie. *meh1- ‘meten’ (IEW 731), zie → maal 1.
Lit.: Gamkrelidze/Ivanov 1984, 684

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

maand* [1/12 jaar] {haymanoth [hooimaand] 1050, maent 1220-1240} oudsaksisch manoth, oudhoogduits manod, oudfries monath, oudengels monað, oudnoors mánaðr, gotisch menoþs; buiten het germ. latijn mensis, grieks mèn, oudiers , litouws mėnuo [maan(d)]; van maan.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

maand znw. v., mnl. mânet, maent m. v. os. mānoth, ohd. mānōt (nhd. monat), ofri. mōnath, oe. mōnað (ne. month), on. mānaðr, got. mēnōþs. — Men gaat uit van een idg. stam *mēnōt, gen. mēneses, waarvoor zie verder bij: maan.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

maand znw., mnl. mânet, maent (d) m. v. = ohd. mânôd (nhd. monat), os. mânoth, ofri. mônath, ags. mônað (eng. month), on. mânaðr, got. menoþs m. “maand”. De oergerm. stam is *mênôþ- geweest: deze was gevormd bij ’t bij maan besproken woord, wsch. in de periode, toen dit niet meer als s-stam en nog niet als n-stam flecteerde.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

maan. Jokl WuS. 12, 81 vlg. herleidt alb. muaj, muej op idg. *mênôt-, waarop ook lit. mėnuo kan berusten. Beide woorden sluiten zich dan het naast bij maand aan.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

maand v., Mnl. maent, Os. mânoth + Ohd. mânôd (Mhd. mânôt, Nhd. monat), Ags. mónađ (Eng. month), Ofri. mónath, On. mánađr (Zw. månod, De. maaned), Go. menoþs: met ander suffix van denz. stam als maan, dus = maanmaand (mois lunaire) + Skr. mās (d.i. māns), Arm. amis, Gr. mḗn (d.i. mēns), Lat. mensis, Oier. genit. mis, Osl. měsȩcĭ, Lit. menesis: alle met een zelfde, maar ander dan ’t Germ. suffix van denz. stam, die waarschijnlijk behoort tot den wortel van meten.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

maond (zn.) maand; Aajdnederlands manoth <1050>.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

maand: haar maand hebben (had, heeft gehad), in haar maand zijn (was, is geweest), (volkst.) menstrueren. Ik heb m’n maand. - Etym.: Vgl. veroud. AN ’de maandstonden hebben’ = id. - Zie ook: peetje*, pietje*.

Thematische woordenboeken

P.H. van Laer (1964), Vreemde woorden in de sterrenkunde, 2e druk, Groningen

Maand (< maan; beide gaan op dezelfde oorsprong terug; < Lat. mensis; < Gr. μήν (mèn) = maand; < Gr. μήνη (mènè) = maan). De oude Griekse en Latijnse astronomen gaven de naam maand, al of niet met de bijvoeging Gr. σεληνιακός (selèniakos) of Lat. lunáris (= maanmaand), aan onze → synodische maand. Zie verder anomalistisch, draconitisch en siderisch.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Maand, afgel. van maan, daar reeds de Indo-Germanen de schijngestalten der maan als tijdmaat bezigden.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

maand ‘twaalfde deel van een jaar’ -> Negerhollands maent, maand, mān ‘twaalfde deel van een jaar’; Sranantongo mânde ‘maanden’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

maand* twaalfde deel van een jaar 1050 [CG II1, 122]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut