Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

maaltijd - (handeling van het eten; dat wat men eet)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

maal 2 zn. ‘handeling van het eten; dat wat men eet’
Mnl. daer af es men den scoutete & scepenen sculdech te voedene .i. mael ‘daarom is men verplicht de schout en de schepenen een maaltijd te geven’ [1253; VMNW]; daarnaast ook in de samenstelling maaltijd ‘maal’, in hi machse bringhen met hem ter maltijt ‘hij kan hen [de gasten] meebrengen naar de maaltijd’ [1270-91; VMNW].
Hetzelfde woord als → maal 1. De betekenis is verschoven van ‘tijdstip’ via ‘tijdstip van de maaltijd’ naar de ‘maaltijd’ zelf. Dezelfde ontwikkeling vind men ook in Duits Mahlzeit.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

maaltijd* [eten] {maeltijt 1285} samenstelling van maal7 + tijd.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

maaltijd znw. m., mnl. maeltijt, mnd. māltīt, mhd. mālzīt is samenstelling van maal 5 en tijd.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

maaltijd znw. Sedert het Mnl. Mhd. Mnd. Zie verder maal I.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

maaltijd ‘eten’ -> Fries mieltiid ‘eten’; Deens måltid ‘eten’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors måltid ‘eten’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds måltid ‘eten’ (uit Nederlands of Nederduits); Negerhollands maaltied, maaltit, maeltid ‘eten’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

maaltijd* eten 1285 [CG Rijmb.]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1559. Mosterd na den maaltijd,

d.i. het benoodigde brengen als het niet meer noodig, als 't te laat is. In de latere middeleeuwen bij Goedthals, 112: Mostaert dienen als tvleesch gheten is, fol cornard sert moustarde apres disner; vgl. verder Hooft, Brieven, 135: U E brief en tijdingen zijn ten laatsten te voorschijn gekoomen: mostart naa de maaltijdt; bl. 145: My is leedt dat de Fransche tijdingen zijn gekomen als mostardt naa den eeten. Zie verder C. Wildsch. IV, 190; V. Janus III, 218; Harreb. II, 46 a; III, 286; Ndl. Wdb. IX, 26; Villiers, 83. In het fr. servir de la moutarde après diner; eng. mustard after dinner (or supper) or after meat mustard; in het Nederd. Mustert na den Mâltid; wie Moster no den Êten kommen (Eckart, 370). Synoniem was: vijghen na Paschen (Campen, 110; C. Wildsch. IV, 190); Onze Volkstaal I, 30: vigen nae Paese, in banden (om het koren te binden) nae den oestZie De Cock1. 131.; komen met het zout als het ei op is (Harreb. I, 178); komen met de paal, d.i. ovenschieter (of met bakmeel) als het brood in de oven is (Joos, 92); fri.: hy komt mei aeijen nei peaske; moster nei de mieltiid; lat. aquam infundere in cinerem.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut