Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

luxe - (weelde); (weelderig)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

luxe zn. ‘weelde’; bn. ‘weelderig’
Vnnl. in de afleiding geluxeert ‘bevoordeeld met weelde’ [1665; Stall.]; nnl. dan het zn. luxe ‘weelde, overvloed’ in de trotschheid ... de luxe ... de zelfverveeling [1784; WNT], als bn. in luxe artikelen [1901; WNT jagen].
Ontleend aan Frans luxe ‘overdaad in levenswijze, glans, pracht’, ook ‘losbandigheid’ [1607; TLF], ontleend aan Latijn luxus ‘pracht, weelde, overdaad’ en ‘bandeloosheid, zedeloosheid’, naast het bn. luxus ‘ontwricht, verstoord’, afleiding van luctārī ‘ontwrichten, verzwikken’, verwant met lūgēre, zie → luguber.
Er bestaat ook een woord mnl. luxurien ‘onkuisheid, weelderigheid, wellust, wulpsheid, ontucht’ [1236; VMNW], luxurie ‘id.’ [1290-1310; MNW], luxure ‘overdaad’ [1300-25; MNW-R], dat al dan niet via Frans luxure ‘ontucht, wellust’ [ca. 1119; Rey] is ontleend aan Latijn luxuria ‘weelderige groei; overdaad, genotzucht’, afleiding van luxus. Mnl. luxurie komt vooral in kerkelijke teksten voor: het is een van de zeven hoofdzonden.
luxueus bn. ‘weelderig’. Nnl. luxueus ‘overdadig, weelderig’ in wier traktementen men niet luxueus mag noemen [1882; Groene Amsterdammer], het ... ameublement der slaapkamer, keurig maar niet luxueus [1889; WNT]. Ontleend aan Frans luxueux ‘weelderig’ [1771; TLF], afleiding van luxe.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

luxe [weelde] {1785} < frans luxe < latijn luxus [weelde, wellust, overdaad], misschien verwant met het bn. luxus [ontwricht, verrekt] (vgl. luxatie).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

luxe znw. m., eerst in de 18de eeuw < fra. luxe < lat. luxus ‘weelde’.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

† luxe znw., wsch. niet vóór de 18e eeuw. Uit fr. luxe < lat. luxus. Uit het Lat. hd. luxus m. (sedert 1597).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

luukse s.nw.
Weelde, oorvloed.
Uit Ndl. luxe (1785).
Ndl. luxe uit Fr. luxe uit Latyn luxus 'weelde, wellus, oordaad'.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

luxe- (Frans luxe)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

luxe ‘weelde’ -> Indonesisch luks ‘weelde; weelderig’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

luxe weelde 1785 [WNT] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut