Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

luw - (beschut, windvrij)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

luw bn. ‘beschut, windvrij’
Mnl. luw ‘tegen de wind beschut’ in een goede luwe haven [1470-90; MNW-R]; vnnl. gewestelijk ook wel lou(w), zoals in rusten onder 't lou geboomt ‘het beschutting biedende geboomte’ [1642; WNT].
On. hlý (zn.) ‘warmte’ (nzw. ly ‘beschutting’), hlýr ‘warm, mild’; < pgm. *hlew-ja-, een afleiding van *hlewa- ‘beschutting’, zie → lij.
luwte zn. ‘beschutting’. Vnnl. de luwt van uwer zyde ‘de beschutting van uw nabijheid’ [1613; WNT], onder de loute van de Taeffelbergh ‘in de luwte van de Tafelberg’ [1653; WNT]. Afleiding van luw met het achtervoegsel → -te.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

luw* [windvrij] {1480} oudengels hliewe [lauw, warm], oudnoors hlý [warmte] → lauw1, lij.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

luw bnw., mnl. luwe, nnl. dial. ook louw, lei, lij, oe. hliwe, hliowe, hleowe ‘zonnig’, on. hlȳ o. ‘warmte’ hlȳr bnw. ‘warm, mild’ < germ. *hleuja- afl. van *hlěwa, waarvoor zie: lij.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

lij znw., sedert Kil., die naast lije ook den in geen geval meer oorspronkelijken vorm lijde opgeeft. = ofri. hlî o. “beschutting”, os. hleo o. “id.”, ags. hlêo o. “id., schuilplaats”, on. hlê o. “lij” (> eng. lee). Nhd. lee o. “id.” komt uit het Ndd. Grondvorm *χlewa-. Vgl. ook os. hlea v. in bet. = hleo, mhd. lie, liewe v. “priëel”. De nnl. vorm is ospr. dialectisch: anders verwachtten we *lie evenals knie; vgl. hieronder over mnl. ghelie. *χlewa- staat in ablaut tot *χlêwa-; zie lauw. — Afl.: *χleuja- > *χliuja-, mnl. luw “beschut” waarnaast misschien lieu “apricus” (nnl. luw, dial. louw, lei, lij), ags. hlîwe, hlêowe “zonnig”, on. hlŷ o. “warmte”, nijsl. hlŷr “warm”. Mnl. lien (lees lieu?, Alexander X, 453) is een variant van ghelie, dat op *ӡa-χlewa- teruggaat, tenzij de derde variant ghelieuwe juister is, die op *ӡa-χliuja- wijst.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

luw bijv., Mnl. id., uit *hliuwi + Agr. hlíwe, On. hlý, een afl. van lij.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Lij (lijzijde) is verwant met luw, uit ’t Mnl. lie = beschutting voor het weder, beschutte plaats (hier: voor den wind), van ’t Germ, hlewo.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

luw* windvrij 1480 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut