Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

lust - (begeerte; genoegen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

lust zn. ‘begeerte; genoegen’
Mnl. lust ‘begeerte, vleselijke lust; vermaak, genoegen’ [1240; Bern.], mít aller list saltu eten ‘met alle eetlust zul je eten’ [1253; CG II], din cranken wille van loste ‘jouw ziekelijke neiging tot wellust’ [1265-70; CG II].
Os. lust (mnd. lust); ohd. lust (nhd. Lust); ofri. lust (nfri. lust); oe. lust (ne. lust); on. losti (nno. lost, nzw. lust); got. lustus; alle ‘begeerte’; < pgm. *lustu-/*lusti-.
Hierbij de afleidingen pgm. *lustōn- ‘begeren’, waaruit: ohd. lustōn ‘id.’; got. lustōn ‘id.’; en het causatief pgm. *lustjan- ‘behagen’, waaruit: onl. lusten (nnl. lusten, zie onder); os. lustian; ohd. lusten (nhd. lüsten); nfri. lêste, leste; oe. lystan (ne. vero. list); on. lysta (nzw. lysta).
Herkomst onzeker. Wrsch. is pgm. *lusti- een abstractum met oorspr. betekenis ‘losheid’ bij pgm. *lus- ‘los’, zie → los 1. Minder wrsch. is verwantschap met: Grieks lilaíesthai ‘verlangen’; Latijn lascīvus ‘wellustig, vrolijk’; Sanskrit láṣati ‘hij verlangt’; Litouws lokšnùs ‘teder, verlangend’; Oudkerkslavisch laskati ‘liefhebben’ (Russisch laskát'); Oudiers lainn ‘gulzig’; < pie. *lh2s- ‘verlangen’ (LIV 397).
Zowel de sterke betekenis ‘(vleselijke) begeerte’ als de afgezwakte ‘zin, neiging’ zijn al in het Middelnederlands aanwezig.
lusten ww. ‘houden van (spijs of drank)’. Onl. lusten ‘behagen’ in thaz sie mêr lustet ‘dat (het) hen meer behaagt’ [ca. 1100; Will.]; mnl. lusten ‘behagen, doen verlangen’ in heme luste ‘het behaagde hem om, hij verlangde naar’ [1200; VMNW], wat u lust ‘wat u plezier doet’ [1350-1400; MNW]; vnnl. lusten ‘verlangen’ in lusten naer dlichamelic steruen ‘verlangen naar de dood van het lichaam’ [1539; WNT], ‘begeren, houden van’ in dat sy't lust ‘dat zij het begeert’ [1626; WNT], wie room of melck lust [1671; WNT]; nnl. dat 'er de vloot ... degelijk van gelust heeft ‘dat de vloot er flink van langs heeft gekregen’ [1808; WNT]. Afleiding van lust.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

lust* [begeerte] {1201-1250} oudhoogduits, oudfries, oudengels lust, oudsaksisch lusta, gotisch lustus; buiten het germ. latijn lascivus [dartel], grieks lastè [hoer], oudkerkslavisch laska [vleierij] (russisch laska [liefkozing]), oudiers lainn [gulzig], hettitisch ilalija- [begeren].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

lust znw. m., nml. lust, lost m.v., luste v. ‘lust, verlangen, genoegen’, os. lusta v., ohd. lust v. (nhd. lust), owfri. lust, oe. lust m., ozw. luster m., lust, lyst v., got. lustus m. Daarnaast met andere formatie on. losti m. ‘lust, vreugde’.

Jost Trier, Venus (1963) 160-175 wijst op oudere betekenissen ‘loof, bebladerde tak’ in het hd. en eng. en vergelijkt de bet. ‘ruiker’ in nd. en hd. dialecten, vgl. zw. losta, lusta, losta als naam voor grassen en kruiden. Deze woorden verbindt hij met on. ljōsta ‘slaan’. Grondvorm *leus, een afl. van *leu ‘afsnijden, losmaken’. Voor de bet. overgang tot ‘(zinnelijke) begeerte’, verwijst hij op het gelijksoortige verband tussen mhd. wunne ‘loof, loofwerk’ en nhd. wonne. — De gangbare verklaring als nultrap bij de wt. *las, vgl. oi. lasati (< *la-ls-ati) ‘begeert’, gr. lilaíomai (< *lilasiomai) ‘begeren, verlangen’, lat. lascivus ‘dartel’, oiers lainn (< *las-ni-s) ‘begerig’, russ. lásyj ‘verzeten op’ (IEW 654) is minder waarschijnlijk. — Zeker onjuist is de afl. van germ. *lūtan ‘buigen’, zo Sperber WS 6, 1914, 55 ondanks de verwijzing naar fra. penchant en lat. inclinatio.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

lust znw., mnl. lust, lost m. v., luste v. “lust, genoegen, verlangen”. = ohd. lust (nhd. lust) v., os. lusta v., owfri. lust, ags. lust m. (eng. lust), ozw. lyst v., got. lustus m. “lust”. Laat-on. lyst v. “id.” komt uit het Oostnoorsch of uit het Mnd., ’t oudere on. woord is losti m. “lust”. Germ. lus- uit idg. las- (ḷs-). De idg. basis was elaxs-; verwant zijn on. elska “beminnen”, lat. lascîvus “dartel”, gr. lilaíomai (*li-lás-jomai) “ik begeer”, lásti; pórnē (Hes.), ksl. laska “het vleien”, oi. laṣati (*la-ls-ati) “hij begeert”, lásati “hij streeft, speelt, is blij”. Op idg. (e)lês- wijst, mits ’t terecht hierbij gebracht is, dor. *lēéō, kret. leïō “ik wil”. —

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

lust. In plaats van “ozw. lyst v.” lees: “ozw. luster m., lust, lyst v.”.
On. elska ‘beminnen’ beter bij got. alan ‘opgroeien’ enz. (zie bij oud): ospr. bet. ‘opvoeden’, vgl. de. opelske ‘opkweken, opvoeden’. — Dor. *lēéō, kret. leī́ō ‘ik wil’ bij le͂n ‘willen’: vgl. loeder.
Een andere etymologie voor lust, die overweging verdient, is die van Sperber WuS. 6, 54 vlg.: bij on. lûta, ags. lûtan ‘zich buigen, vallen’. De ospr. bet. zou dan zijn ‘neiging’ en voor het suffix -s-tu- vgl. on. lǫstr bij laster genoemd. Zie verder, ook over mogelijke combinaties buiten ʼt Germ., bij leuteren.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

lust m., Mnl. id., Os. id. + Ohd., Mhd., Nhd.; Ags., Eng., id., On. lyst (Zw. lust, De. lyst, Go. lustus) + Skr. wrt. las = begeeren, Gr. li-laío-mai (d.i. *li-las-jomai = ik begeer), Lat. lascivus = uitgelaten, Osl. laskati = vleien: Idg. wrt. las.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

lust (de, -en), (i.h.b.:) sterke neiging van zwangere vrouwen om het één of ander - soms de vreemdsoortigste dingen - te eten. Toen haar moeder in de verwachting* was had ze een lust, namelijk awara*. Daarvan had ze steeds een oranje mond. Daarom hebben ze het meisje Awaaboeka [Sar., ’awaramond’] genoemd (mond.). - 2. de vlek op de huid van het kind in de vorm van het begeerde, maar door de a.s. moeder niet (voldoende) gekregen onderwerp van haar lust* (1). - Etym.: In veroud. AN ook bet. 1.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

lus I: begeerte, trek; Ndl. lust (Mnl. lust(e)/lost), Hd. lust, Eng. lust en wsk. ook verb. m. Eng. lascivious wat berus op Lat. lascivus, “uitgelate, wellustig, wulps”; hierby ook die Ndl./Afr. ww. lus(ten).

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

lust ‘gevoel van welbehagen’ (Duits Lust)

K. van Dalen-Oskam & M. Mooijaart (2005), Nieuw bijbels lexicon: woorden en uitdrukkingen uit de bijbel in het Nederlands van nu, uitgebreid met De Nieuwe Bijbelvertaling, Amsterdam

Een lust voor het oog, zeer aangenaam om te zien.

De uitdrukking een lust voor het oog, in oudere vertalingen een lust voor de ogen, komt voor in het verhaal over de zondeval van Adam en Eva in het paradijs, in Genesis 3:6, 'De vrouw keek naar de boom. Zijn vruchten zagen er heerlijk uit, ze waren een lust voor het oog, en ze vond het aanlokkelijk dat de boom haar wijsheid zou schenken. Ze plukte een paar vruchten en at ervan. Ze gaf ook wat aan haar man, die bij haar was, en ook hij at ervan' (NBV).. Zie ook Zondeval.

Statenvertaling (1637), Genesis 3:6. Ende de vrouwe sach, dat die boom goet was tot spijse, ende dat hy een lust was voor de oogen, ja een boom die begeerlijck was om verstandich te maken, ende sy nam van sijne vrucht, ende at: ende sy gaf oock haren man met haer, ende hy at.
Dat Taument zijn houterige opponent Schulz keer op keer voorbij rende was een lust voor het oog en opmerkelijk voor de speler die dit seizoen uitermate zwak was begonnen. (NRC, nov. 1994)
De buurt is geen lust voor het oog: een rivierdijk vol kale plekken, waar in de achterliggende jaren een reeks huizen tegen de grond ging; (NRC, jan. 1995)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Lust, misschien verwant met den Idg. wt. las = begeeren.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

lust ‘begeerte’ -> Fries lust ‘begeerte’; Noors lyst ‘begeerte’ (uit Nederlands of Nederduits); Negerhollands lyst ‘begeerte’; Sranantongo lostu ‘begeerte’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

lust* begeerte 1240 [Bern.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal