Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

lummel - (lomperik, sukkel)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

lummel zn. ‘lomperik, sukkel’
Nnl. lummel ‘lomperik’ [1705; WNT].
Wrsch. ontleend aan Nederduits lummel ‘lomperik’ en/of Hoogduits Lümmel ‘id.’ [16e eeuw; Kluge], afleiding van Middelhoogduits lüeme ‘slap’ < Oudhoogduits luomi ‘mild, vriendelijk’, zie → loom.
lummelen ww. ‘luierend zijn tijd verdoen’. Nnl. lummelen [1889; WNT]. Afleiding van lummel.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

lummel [onhandige vent] {1700} < hoogduits Lümmel [lul, bengel, vlegel], behoort bij lam2 [slap hangend].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

lummel znw. m., in de 18de eeuw < nhd. lümmel, vgl. nnd. lummel, lümmel ‘lummel, luiaard’, dat verder afgeleid zal zijn van nnd. lumm ‘lui, slap’, dat men zal mogen verbinden met loom, maar dan niet als een ablautsvorm maar als een jongere affectieve klinkervariant.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

lummel znw., nog niet bij Kil. = nhd. lümmel m., nd. lummel, lümmel “lummel, luiaard, dikke, trage, onbeholpen jongen”. Een jong, wsch. onder verschillende invloeden — deels als jongere ablautvorm bij lam II, deels bij loom, misschien ook onder invloed van lumme — opgekomen woord. Wellicht is eerst dial. ndd. lumm “mat, slap, los” als jongere, onomatopoëtische ablautsvorm ontstaan en lummel eerst hiervan gevormd.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

lummel, sluit het gemakkelijkst aan bij ndd. lumm ‘mat, slap’, dat wellicht evenals zaans lom ‘loom, stram’ en ouder-nnl. lomme(n) ‘sukkel, sul’ met loom (zie dat woord Suppl.) in — eventueel jongere — ablaut staat. Vgl. verder nog keuls läumele, läumere ‘langzaam rollen’ (Holthausen GRM. 8, 249), noorw. dial. luma ‘staan te hangen’, lume ‘lummelig, log persoon’ (Falk Ark. 41, 128), die bij dezelfde woordgroep zouden kunnen behoren, maar ook zeer wel jonge formaties kunnen zijn.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

lummel m., + Ndd. en Hgd. lümmel; dial. Hgd. lumm., ablaut bij lam.

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

lummel: onhandig persoon; lomperd. Lange lummel is een scheldwoord voor een lang iemand. Sedert ca. 1700. Volgens Van Dale ontleend aan het Hoogduits Lümmel (lul, bengel, vlegel), dat behoort bij lam (slap hangend).

‘Wie? Albert, die slungel, met zijn kaasmes?’ zeide Harmen, ‘die lummel, die er schik in had, dat mijn arme Bartje zou brommen?’ (J.J. Cremer, Daniël Sils, 1856)
Want de hr. De Rochemont is, als letterkundig schrijver, een piteus armzalig lummeltje. (Lodewijk van Deyssel, De scheldkritieken, 1979, geschreven juli 1890)

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

lummel (Duits Lümmel)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Lummel, verwant met lomp; lomperd.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

lummel onhandige vent 1700 [Toll.] <Duits

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut