Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

lukraak - (willekeurig)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

lukraak bn. ‘willekeurig’
Vnnl. 't Avontuur is ront. Lok raak (vrij vertaald) ‘het kan vriezen en het kan dooien; als je geluk hebt, gaat het voorspoedig’ [1606; WNT Supp. avontuur], nu heb ick 't ... op niemant in 't besonder ghemeent, maar heb de kluppel int hondert blindelingh geworpen, luck raeck ‘... maar heb de knuppel blindelings op goed geluk in de menigte geworpen’ [1617; WNT]; nnl. lukraak [1812; Weiland], als bn. lukraak ‘willekeurig’ in het lukraak resultaat [1916; WNT zelfoverschatting], luk-rake invallen en schimpscheuten [1918; Groene Amsterdammer].
Gevormd uit het verouderde woord vnnl. luk ‘geluk’ (al in mnl. sijn luc is dynne ‘hij heeft weinig geluk’ [1470-90; MNW-R]), zie → geluk, en → raak ‘het doel treffend’. Vergelijk nog vnnl. lukt het zo raakt het ‘als je geluk hebt, tref je doel’ [ca. 1700; WNT raken I].
Tot en met de 19e eeuw werd luk raak of luk-raak ‘op goed geluk’ alleen bijwoordelijk gebruikt. Aan het eind van de 19e eeuw begint men lukraak ook als één woord te spellen. Sinds de 20e eeuw is lukraak ‘willekeurig, op goed geluk verkregen of uitgevoerd’ ook een bn.
Lit.: K. Heeroma (1944), ‘Lukraak’, in: TNTL 63, 153

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

lukraak* [op goed geluk af] {luc of raec, luckeraec [misschien, waarschijnlijk] 1550} herkomst onzeker, wellicht uit een zinnetje als lukt het zo raakt het en dan van luk [geluk] en raak3.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

lukraak bnw., sedert de 17de eeuw, vgl. bij Bredero luckraeck, waarschijnlijk eig. een elliptisch zinnetje, vgl. Luyken: lukt het zo raakt het. Dan is lukraak een verbinding van luk ‘geluk’ en raak ‘slag die doel treft’ (K. Heeroma Ts. 63, 1944, 153 en 64, 1946, 190-1).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

lukraak bijw., sedert het Oudnnl. In de Campen’sche Spreekwoorden-uitgave en bij Bredero komt voor luckeraeck, boter in dassche. Hoe luckeraeck syntactisch is op te vatten en of dit de oudste vorm is, staat niet vast.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

lukraak b.nw.
Nie planmatig nie, op goeie geluk af.
Uit Ndl. lukraak (1638). Volgens WNT is die alg. opvatting dat lukraak 'n verkorting is van 'n sinnetjie soos "het is een (ge)luk als het raak is", foutief. WNT ag dit waarskynliker dat lukraak 'n samestelling is van luk- (die stam van lukken 'tref') en die bw. raak. Lukraak beteken dus 'toevallig raak tref'. Die klem het aanvanklik op luk- geval, maar namate die bet. van die samestellende dele vervaag het, het dit na raak verskuif.
Vgl. geluk, misluk.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

lukraak* op goed geluk 1638 [WNT]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1447. Lukraak,

d.w.z. onzeker, zus of zoo, in het wilde, op goed geluk af; 17de eeuw romp, slomp of romps, slomps (Winschooten, 213); wellicht eig. als het gelukt, dan is het raak; vgl. Sart. I, 10, 9: Wij spelen hier raeck wel heb wel. Vgl. verder Campen, 77: Luckeraeck, boter in dassche, dat ook voorkomt bij Brederoo, St. Ridder, vs. 1950; Spieghel, 296: Avontuur is ront, lok raak. Bij Coster, 521 vs. 798; 39 vs. 876 staat alleen raeck in denzelfden zin; zoo ook bij Kiliaen: Raeck, val, geval, casus, eventus fortuitus; fri. raeck, kans om te raken. Voor de 18de eeuw vergelijke men Van Effen, Spect. III, 36; 52; IV, 46; Halma, 330, die de uitdr. eenigszins anders citeert, nl. luk op raak! mogelijk, misschien; en: dat is luk op raak, dat is heel twijfelagtig of onzeker; Sewel, 466: 't Is luk of raak, t' is hap hazard, hit or miss; luk of raak (onbeziens, onberouwen), at random; W. Leevend II, 63: Het is altoos nog luk raak en met scheuren en breeken, dat wy er (in den hemel) komen; Tuinman I, 267; Nal. 10: Dat is, in 't wilde, luk raak; Harreb. III, 26: het is luk raak (of: luk wel, raak welZie Snorp. 38: Onse Jorde sit nou daer sen leste gelt en waegt, lock wel, raeck wel.); fri. by lokraek, bij geluk; De Bo, 1236: valle wel, hebbe wel; Deensch: paa lykketraef; eng. happy-go-lucky. Zie Mnl. Wdb. IV, 882, waar de uitdr. verklaard wordt als: het zal een geluk zijn als het raak is. Syn. op Goeree en Overfl.: raak et neet dan bots etN. Taalgids, XIV, 198 en vgl. Ndl. Wdb. III, 729: Klinkt het niet zoo botst het (zuidndl.)..(Aanv.) In 't Ndl. Wdb. VIII, 3311 wordt gedacht aan een samenstelling van den stam van lukken + het bijw. raak, of desnoods het znw. mnl. rake; dan is lukraak zooveel als: ‘trefraak, door treffen, toevallig, raak’.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut