Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

luisteren - (aandachtig horen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

luisteren ww. ‘aandachtig horen’
Mnl. luusteren, luysteren ‘aandachtig horen’ in diese gaern hoert ende daer na luystert ‘wie ze graag hoort en ernaar luistert’ [1437; MNW-P], dat hi neerstelic luusteren soude ‘dat hij ingespannen moest luisteren’ [1439; MNW].
Mnd. lūsteren (waaraan ontleend nzw. vero. lystra); ohd. hlūstrēn, lūstrēn (mhd. lûstern, lustern, nhd. gewest. laustern); nfri. lústerje ‘horen, fluisteren’; < pgm. *hlūstrēn- ‘horen, luisteren’. Daarnaast de variant pgm. *hlūstan- ‘id.’, waaruit: oe. hlystan ‘horen, luisteren’ (me. lysten, ne. vero. list); on. hlusta ‘horen, luisteren’ (ouder nzw. lysta). Beide zijn afgeleid van het zn. pgm. *hlūs-ti- ‘gehoor’, waaruit: os. hlust ‘gehoor; oor’; ofri. hleste ‘gehoor, aandacht’; oe. hlyst ‘gehoor’; on. hlust ‘gehoor; oor’. Werkwoordsvormen zonder -t- zijn pgm. *hlūsinōn- ‘luisteren’, waaruit: mhd. lüsenen; oe. hlysnan (ne. listen), en pgm. *hlusēn-, waaruit ohd. hlosēn ‘luisteren’.
Verwant met: Sanskrit śróṣati ‘luisteren, gehoorzamen’, śravas- ‘roem’; Litouws klausýti ‘luisteren’, klusêt ‘stil zijn’; Oudkerkslavisch sluchŭ ‘gehoor’, slyšati ‘horen’ slava ‘roem’, slovo ‘woord’ (Russisch sluch, slýsat', sl va, slóvo); Oudiers cluas ‘oor’, Welsh clust ‘id.’, clywed ‘horen’; < pie. *ḱleu-s- ‘horen’ (IEW 606-607), afleiding van de wortel *ḱleu- ‘horen’, zie → luid. Pgm. lange -ū- in plaats van verwachte -eu- of -u- (nultrap) is secundair, zie ook → luiken.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

luisteren* [horen] {lu(u)steren [luisteren, fluisteren] 1357} oudhoogduits (h)lustren, iteratiefvormingen, vgl. middelnederlands lust [het aandachtig toeluisteren], middelnederduits, middelhoogduits lūschen en ablautend oudhoogduits (h)losēn [luisteren], van dezelfde stam als luid.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

luisteren ww., mnl. luusteren, mnd. lūsteren, ohd. hlūstrēn, lūstrēn (nhd. dial. zwabisch en beiers laustern). Daarnaast abl. ohd. hlōsen, losēn ‘luisteren, gehoorzamen’, mhd. lusemen, lusenen, lüsenen, oe. hlosnian ‘luisteren’ en mnl. lust ‘aandacht, stilte’, os. hlust v. ‘luisteren, oor’, ofri. hlest ‘aandacht, stilte’, oe. hlyst m. v. ‘het luisteren, aandacht, oor’, on. hlust v. ‘oor’ en verder zie: lier 2. — Voor de afl. zie: luid, ook voor de betekenis ‘stilte’.

Nhd. lauschen dat IEW 607 hierbij voegt (<*hlus-skōn), wordt hier ook wel van gescheiden en dan verbonden met germ. *lūtan ‘buigen, zich neigen’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

luisteren ww., mnl. luusteren. = ohd. (h)lûstrên (zwa.-bei. nog laustern; het nhd. ww. lauschen > mhd. lûschen “luisteren” = mnl. luusscen, mnd. lûschen “loeren” kan evengoed met loeren verwant zijn als met luisteren; met ablaut ohd. lôscên “verscholen zijn”), mnd. lûsteren “luisteren”. Ablautend met ohd. (h)losên “luisteren, gehoorzamen”,mhd. lusemen, lüsenen, ohd. hlosnian “luisteren” en mnl. (holl.) lust (v.?) (oppos. onlust) “aandacht, stilte”, os. hlust v. “luisteren, oor”, ofri. hlest (oppos, unhlest) (v. m.?) “aandacht, stilte”, ags. hlyst m. v. “luisleren, aandacht, oor”, on. hlust v. “oor”, waarvan ags. hlystan (eng. to list(en)), on. hlusta “luisteren”. Ook mnl. lier, os. hlior, ags. hlêor, on. hlŷr o. “wang” wordt hierbij gebracht. De basis ḱlū̌s-, een verlenging van ḱlu- (zie luid I), is reeds idg.: vgl. ier. cluas “oor”, kymr. clust “id.”, obg. slyšą, slyšati “hooren, luisteren”, sluchŭ “gehoor, oor, gerucht”, lit. klausaũ, klausýti “hooren” (met opvallende, algemeen-baltische k), oi. < çróṣati “hij hoort, luistert, gehoorzaamt”, çrûṣṭí- “het hooren, inschikkelijkheid” (= mnl. lust enz.). De bet. “fluisteren” van mnl. luusteren (neg dial.), Teuth. luystren is secundair.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

luisteren 3 o.w. (hooren), frequent. van *luisten + Ohd. hlosên (Mhd. losen), Ags. hlystan (Eng. to listen), On. hlusta: Germ wrt. hleus + Skr. çruṣtiṣ = verhooring, Osl. sluchŭ = het hooren, Lit. klausýti = hooren: Idg. wrt. k̃leu̯s, synom. en verwant met wrt. k̃leu̯ van luid 1.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

luustere (ww.) luisteren; Middelnederlands luusteren <1437>.

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

1luister ww.
1. Met aandag hoor. 2. Aandag skenk aan. 3. Gehoorsaam.
Uit Ndl. luisteren (al Mnl. in bet. 1, 1682 in bet. 2, 1871 - 1875 in bet. 3).

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

luisteren: luister (gebiedende wijs), hoor nu eens, moet je horen, hoor eens hier. Luister. Ik heb bijvoorbeeld een treef*. Vis, alle vis, vervolgde baas Hendrik (Butner 1969: 76).
— : blijf luisteren (gebiedende wijs), blijf aan het toestel, wacht een ogenblikje. - Dit wordt alg. gezegd door telefonistes tegen iemand die doorverbonden moet worden. - Zie ook: aanhouden*.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Luisteren van den Germ. wt. klus, Idg. kleus, verwant met kleu = hooren, zie Luid.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

luisteren ‘horen; gehoorzamen’ -> Duits † laustern; Deens lystre ‘gehoorzamen’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors lystre ‘gehoorzamen’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds lystra ‘gehoorzamen’ (uit Nederlands of Nederduits); Negerhollands luster, listǝ, listu ‘horen’ (uit Nederlands of Engels).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

luisteren* horen 1357 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut