Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

luister - (schittering, glans)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

luister zn. ‘schittering, glans’
Vnnl. behoudens dat haerlieder lakene nochtans van ... luyster zy ‘op voorwaarde dat hun laken toch zal glanzen’ [1562-92; MNW], luster ‘glans’ [1567; Nomenclator], luster, luyster ‘schittering, glans, pracht’ [1599; Kil.].
Ontleend aan Frans lustre ‘id.’ [1482; Rey], met in het Nederlands diftongering -ū- > -ui-. Het Franse woord is ontleend aan Italiaans lustro ‘glans, schittering; roem, glorie’ [ca. 1336; DELI], afleiding van lustrare ‘verheerlijken; verlichten’, ontleend aan Latijn lūstrāre ‘verlichten’, dat moet zijn afgeleid van een zn. *lūstrum ‘licht’ < pie. *leuk-stro-, afleiding van de wortel *leuk- en verwant met → licht 1 ‘schijnsel’.
Een jongere ontlening aan Frans lustre is BNluster ‘kroonkandelaar, luchter’. Voor andere Nederlandse woorden die teruggaan op Latijn lūstrāre, zie → illuster en → illustreren.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

luister [glans] {luuster [glans van een stof] 1567} < frans lustre < italiaans lustro [idem], van lustrare [verlichten] < latijn lustrare (vgl. luster).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

luister znw. m., Kiliaen luyster met vokaalrekking en diftongering naast luster ‘glans, stralend licht’, oudernnl. luyster ‘glans (van goed)’ < fra. lustre (sedert 1500) < ital. lustro, verbaalnomen bij lat. lustrāre ‘glanzen, glanzend maken’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

luister znw. Kil. luyster (met vocaalrekking vóór st en daarna diphthongeering; vgl. bij juist, beest) naast luster “splendor, fulgor enz.”, l6. eeuw luyster “glans (van goed)”. Uit fr. lustre (nomen bij lat. lûstrâre “verlichten”). Denzelfden oorsprong heeft later-nnl. lu(u)ster “luchter”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

luister m., uit Fr. lustre = 1. glans, 2. armblaker, gevormd uit Lat. lustrare = verlichten, d.i. *luc-strare, een afleid. van denz. wortel als licht 1.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

2luister s.nw.
Glorie, glans.
Uit Ndl. luister (1567 in die vorm luuster 'glans van 'n stof').
Ndl. luister uit Fr. lustre uit It. lustro, 'n afleiding van lustrare 'verligting', met lg. uit Latyn lustrare van lux 'lig'.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

luister (Frans lustre)

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

luister. In Bredero’s Rodd’rick ende Alphonsus [1611] komt de bastaardvloek annex uitroep pots honderd twyntig luyster voor. In pots herkennen wij een verbastering van God. Ik meen uit te moeten gaan van een basisformule bij Gods luister. De telwoorden geven de vloek enig staccato, maar zijn tegelijkertijd een soort grauwsluiers die het taboe verbergen.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Luister (glans) van ’t Fr. lustre = glans, uit ’t Lat. lustrare (voor: luc-strare) = verlichten, en dit van lux, zie Licht,

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

luister glans 1567 [Junius] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal