Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

luim - (stemming; gril)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

luim zn. ‘stemming; gril’
Vnnl. luim ‘aard, neiging’ in haer mannelijcke luimen ‘haar mannelijke aard’ [1605; WNT], ‘vrolijkheid, opgewektheid’ in een ander luim ‘een volgende vrolijke bui’ [ca. 1607; WNT], ‘stemming’ in nu een droeve' en dan een blyde luym [1613; WNT], ‘plotselinge gril, vlaag van willekeur’ in sijn malle luymen [1632; WNT].
Wrsch. ontleend aan Middelhoogduits lūne ‘aard, gemoedsstemming’ [ca. 1190-1230; Lexer], uit lūne ‘maanfase’ [ca. 1220; Lexer] (Nieuwhoogduits Laune ‘wisselende gemoedsgesteldheid, gril’), ontleend aan Latijn lūna ‘maan’, zie → lunet. De betekenis ‘aard, gemoedsgesteldheid’ kon ontstaan vanwege de veronderstelde invloed van de wisselende maanfasen op het gemoed. In het Nederlands werd de -n- vervangen door -m onder volksetymologische invloed van vnnl. luymen ‘scherp kijken, loeren’ [1599; Kil.].

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

luim [stemming] {1605} naast middelnederlands lune [wisselende gemoedstoestand] en lunatich [maanziek], vgl. hoogduits Laune < latijn luna [maan]; verondersteld werd dat de maan invloed uitoefende op de geest. Voor overgang van latijn n > m vgl. pelgrim, pruim.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

luim znw. v., eerst na Kiliaen, vgl. fri. lūm ‘luim’. Zeker te verbinden met mnl. lūmen ‘belagen’, Kiliaen luymen ‘loeren, beloeren, belagen, achterdochtig aanzien’, nijsl. luma ‘verbergen’, nnoorw. dial. lyma, løyma ‘toornig, donker kijken’ en on. lymskr ‘sluw, gemeen’. — Daarnaast staat met een n-formans: loens vgl. fri. lūmsk ‘listig, vals’ en lūnsk ‘op geheime wijze’. — Zie ook: luipen.

Aan luim beantwoordt nhd. laune, dat mhd. lūne ‘wisselende gemoedsgesteldheid’ betekent, maar eig. ‘maanfaze’ (vgl. de vooronderstelde invloed van de maan op het gemoed) < lat. lūna ‘maan’. — Maar de bovengenoemde woorden, waarin germ. *lūma en *lūna naast elkander staan, doen vermoeden dat bij nhd. laune de verbinding met lat. luna wel eens secundair zou kunnen zijn. De bet. van ‘luim, gril’ zou dan kunnen ontstaan zijn uit de gedachte van onbetrouwbaarheid, die verder teruggaat op die van ‘vals, sluw’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

luim znw., nog niet bij Kil. = fri. lûm “luim”. Mhd. lûne v. (waaruit nhd. laune) beteekent behalve “gril, luim” ook “maanphase, tijd van maansverwisseling, veranderlijkheid van het geluk”, evenzoo mnd. lûne v. “(volle) maan, maanphase” en — ook lûn m. — “luim, gril”. Men verklaart deze woorden uit lat. lûna “maan”, dat ook in de rom. talen een dgl. bet.-ontwikkeling vertoont, en dezelfde oorsprong wordt ook wel aangenomen voor ndl. luim; men wijst dan voor den auslaut op pelgrim. Wellicht heeft fr. lune of lat. lûna of het hieruit ontstane du. woord invloed gehad, maar toch mag luim niet gescheiden worden van Kil. luymen “loeren, beloeren, belagen, achterdochtig of nijdig aanzien”, mnl. (zeldzaam) lûmen “belagen”, noorw. dial. lyma (lɸyma) “boos, loerend kijken, de ooren laten zakken (van paarden)”; zie nog loens. Het is niet noodig om voor de daar genoemde vormen met n en voor Teuth. luyne “neiging, aard, wijze van doen”, fri. lunen “luimen” een ouden wisselvorm met n aan te nemen: de n-vormen kunnen deels op invloed van lat. lûna enz. berusten, deels is de n misschien vóór s(χ) in sommige diall. klankwettig ontstaan. Zie nog loeren, lonken.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

luim. Hetzelfde woord als Kil. luymen is ouder-nnl., thans vooral zuidelijk-bargoens luimen ‘slapen’.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

luim v., blijkens de Fri. dubbele reeks nw. lum, lune, ww. lumje, lunje, evenals Hgd. laune, ontleend aan Lat. luna = maan (z. licht 1), omdat men aan de maan grooten invloed op het humeur toekende (vergel. Fr. avoir ses lunes, être mal luné). Voor m uit Rom. n vergel. pruim, pelgrim.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Luim van ’t vroegere luimen: schuin zien (zie loeren) en vandaar: er verdrietig uitzien. Onder den invloed van’t Hgd. Laune = luim, gril, nuk, kreeg het de bet. van veranderlijken gemoedsaard; dit Laune is ontleend aan ’t Lat. luna = maan, daar de middeleeuwsche sterrenwichelaars haar grooten invloed op ’s menschen gemoed toeschreven.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

luim stemming 1605 [WNT] <Latijn

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1445. Op zijn luimen liggen,

d.w.z. loeren op iets, op de loer liggen. Vgl. mnl. lumen, achterdochtig aanzien, belagen; Kiliaen: Luymen, incedere capite terram versus prono et observare, insidiareErgens op luimen, op iets loeren, is thans nog in Braband en in Zuid-Nederland bekend; Onze Volkstaal I, 214; Schuerm. 354; Rutten, 135; elders; op de luimen liggen (V. Schothorst, 169).
In de dieventaal is luimen bekend in den zin van slapen (o.a. Peet, 59) en spreekt men van een luimkeet (-kit) of luimspiese, slaapstee, logement (Köster Henke, 42; Zandstr. 65; Dievenp. 176).
; Plantijn: Op sijn luymen leggen, estre aux embuches, studere insidiis. In de 16de eeuw komt ook voor op zijn luymkijn (luymken) liggen (Van Vloten, Geschiedz. I, 218; 222); zie ook Sart. II, 5, 40; IX, 70; Hooft, Ged. I, 233: op zijn lujmpjen leggen; II, 404: op haer luim leggen; Vondel, Maria Stuart, 472: op zijn luim liggen. Hiernaast ook, evenals thans, op zijn luimen liggen in Heemskerk's Arcadia, 81; Asselijn, Jan Kl. 120; C. Wildsch, III, 59; Tuinman I, 246; Halma, 329; Sewel, 465 en andere door De Jager, Frequ. II, 368 genoemde plaatsen. Thans hoort men volgens Schuermans, 354 nog te Antwerpen op zijnen luim liggen, op zijnen loer liggen (Antw. Idiot. 782: op de luim liggen); De Bo, 355 en 652 stelt op iets geluimd zijn gelijk aan ‘er zin op hebben’ (Waasch Idiot. 246), waarmede te vergelijken is op iets verluimerd liggen, zeer gretig zijn naar iets (Waasch Idiot. 699). Het is niet met zekerheid te zeggen of wij in onze uitdr. met de onbepaalde wijs of met het meerv. van het znw. te doen hebben (vgl. naar iemands pijpen dansen). Zie het Mnl. Wdb. IV, 882 en vgl. de door Van Dale vermelde uitdr. op zijne luipen liggen; Boekenoogen, 598: op zijn luimpie leggen, op de loer liggen, op het punt (iets te doen). Syn. in de 16de eeuw zuidndl. op zijn lonk of lonken liggenNdl. Wdb. VIII, 2684..(Aanv.) Zie nog Ndl. Wdb. VIII, 3246, waar wordt betwijfeld dat men in luimen de onbep. wijs moet zien; daarvoor komt op de luim vroeg voor.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut