Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

luilak - (lui mens)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

luilak zn. ‘lui mens’
Vnnl. al overdrachtelijk in ofte den Leuyenlack omme te draghen (zie onder) [1660; WNT], luijelakken (mv.) ‘luiaards’ [1692; WNT].
Gevormd uit het bn.lui 1 en een onzeker tweede lid, dat met eenzelfde functie ook in Nederduitse dialecten voorkomt, bijv. in Dröm'l-lack ‘dromer’, Dummlack ‘dommerik’ (Hessmann 1989). Wrsch. is dit niet het bn. mnl., mnd. en me. lac ‘flauw, slap, laf’, aangezien luilak nooit als bn. voorkomt. Eveneens onwaarschijnlijk is dat -lak het zn. mnl. en mnd. lac ‘gebrek, mankement, tekortkoming’ (zie → laken 1) is, want dat zn. had altijd een abstracte betekenis, en voor overdrachtelijk gebruik in minachtende persoonsaanduidingen verwacht men eerder een concrete betekenis, zoals bij -zak, -lap e.d. Misschien (NEW) is het een contaminatie van de ongeveer even oude synoniemen luizak (leuy-sacken [1635; WNT]), luibak [1681; WNT] en luilap (luilappen en lediggangers [1703; Van der Meulen 1942b]), maar of een soortgelijke verklaring ook voor de Nederduitse woorden op -lack kan gelden, is niet duidelijk.
Volgens Noord-Hollands volksgebruik werden zij die op de zaterdag voor Pinksteren te lang bleven slapen, bespot als luilak. Deze dag wordt dan ook wel overdrachtelijk Luilak genoemd. In de oudste attestatie wordt het woord eveneens overdrachtelijk gebruikt voor de groene takken die de kinderen die ochtend meevoerden. Naar analogie van luilak ontstond later ook → vuilak.
Lit.: P. Hessmann (1989), ‘Zur etymologie von nl. luilak’, in: ABäG 29, 83-87

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

luilak* [luiaard] {luije lak 1692} de verklaring van het tweede lid is onzeker, vermoedelijk middelnederlands lac [traag, slap, loom] (vgl. laks); dan zou het dus een tautologische samenstelling zijn.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

luilak znw. m., eerst na Kiliaen. Het 1ste lid is lui 3, het 2de is onduidelijk; het kan moeilijk het bnw. lak zijn (waarvoor zie: laks), daar luilak nooit als bnw voorkomt. Daarnaast vinden wij luibak en luilap (1703) naast luie lap (R. van der Meulen Ts. 62, 1943, 135-144). Zou dan luilak een contaminatie van deze woorden kunnen zijn?

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

luilak znw., nog niet bij Kil. ’t Eerste lid is lui II, ’t tweede doet denzelfden dienst als -bak in luibak: het zou oorspr. het bij laks genoemde bnw. lak kunnen zijn. Ook is invloed van vuilak mogelijk.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

luilak. Wat ook de oorsprong van het tweede lid moge zijn, de alliteratie met het eerste lid heeft wsch. bij de vorming meegewerkt en zeker de verbreiding bevorderd. Invloed van vuilak niet wsch.: zie dat woord Suppl.

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

luilak: nietsdoener; lui persoon; luiaard. De etymologie van het tweede lid is onzeker maar gedacht wordt aan het Middelnederlandse lac (traag, slap, loom). Denken we daarbij aan laks dan zou het om een tautologie kunnen gaan. De uitgang -lak treffen we ook aan in het scheldwoord vuilak*. Sedert ca. 1692. Luilak is ook een (uitstervend) volksvermaak op de zaterdag voor Pinksteren, de dag waarop langslapers worden bespot.

Nu, ik besteeg dan mijn beestje, en reed daar rustig op voort, terwijl Antonio achter mij liep, altijd maar schreeuwende: ‘Ai, Ai! Voort, luilak!’ (C.E. van Koetsveld, Verspreide kinderverhalen, 1855)
Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

luilak* luiaard 1692 [WNT]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1319. Het is maar lak,

d.w.z. het is maar gekheid, bedrog, fopperij, larie. Vgl. Lvl. 11: 't Leven is niks, lak, larie; Nkr. V, 24 Juni p. 4: Zijn sociale wetten zijn allemaal maar lak; VII, 29 Maart p. 2: Al heb ik hooren verkondigen, dat de principes maar lak zijn; Onderm. 12: Het is allemaal lak dat rijmen, dat lijmen; in 't fri. it wier lak, de boel is lak (= mis). Lak hebben aan iemand of iets, om iemand of iets niets geven, er maling aan hebben; vgl. Dievenp. 46: Tot-ie er ten laatste uitflapt, dat hij lak heeft aan de heele zaak van den ander; Sprotje, 40: Ze het lak aan de jongens, ze kan d'r krijge zooveel ze maar wil; Köster Henke, 38; Het Volk, 13 Sept 1913, p. 6 k. 4; Handelsblad, 28 Oct. 1913, p. 6 k. 1; Prikk. V, 26: Jouw ridderordes hebben we anders braaf lak aan.

In het mnl. bestaat een bijv. naamw. lak, laf, flauw, loszinnig, eene beteekenis, die ook in het mnd. en thans nog dialectisch in het hd. voorkomt. De oorspr. bet. kan, evenals bij de stammen laf, lef, maf en makVgl. mnd. mak und mode; 17de eeuw: moe en mack (Kluchtspel I, 141); in Limb. is mak weer syn. van het fri. lak waer = laf, maf weer, wanneer het lakwaerm (fri.) is; een makke vlieg = een loome vlieg; Schuermans, Bijv. 192 b citeert een znw. mak in den zin van een slag, dat dus weer met een lap, een lik te vergelijken is. Wanneer we deze volkomen analoge beteekenissen waarnemen die de stammen laf, lak, maf vertoonen, dan mogen we zeker wel het tot nu duistere adjectief maf houden voor een wisselvorm van mak, dat van denzelfden stam is als gemak en het wkw. maken. Vgl. slof, slop, slok; doffen en dokken; boffen, bokken (Opprel, 83 en Franck-v Wijk, 408)., die van slap, moede geweest zijn, waaruit zich die van flauw (vgl. fri. lakswiet, flauw zoet), zouteloos, zot heeft ontwikkeld. Hoogstwaarschijnlijk heeft lak die oorspr. beteekenis van slap, uitgeput nog in luilak,Een zoogenaamde historische verklaring wordt gegeven in het Handelsblad, 7 Aug. 1916 (A) p. 5, k. 3. De nachtwacht van het stadhuis te Amsterdam, Piet Lak, zou bij de nadering der Franschen in 1672 geslapen hebben. Hierdoor kreeg Lak den bijnaam van ‘luie Lak’. Inderdaad komt de verbinding luie lak voor in Besteedster (anno 1728), 22; 26. in Westphalen lûlapp (Woeste, 165 a), d.i. iemand, die lui en lak is (vgl. bij Hooft: luiledig); die van zouteloos, flauw heeft het nog o.a. te Deventer en in Twente, waar men spreekt van 't èten is te zolt of te lak (Draaijer, 23). Vgl. verder het fri. it is lakmoes, mis, vergeefs; het gron. da's moar lak mit ouweltjes (Molema, 235 b; Harreb. II, 3; Sprotje II, 98), voor welk achtervoegsel men vergelijke ‘iemand zijn feilen (fouten) en boenders aantoonen’; het 's-Gravenhaagsche ‘daar was een heele foelie (fr. foule) en notenmuskaatZie voor dergelijke toevoegsels J. Verdam, Uit de Geschiedenis der Ned. Taal3, 170., het Zuidndl. aantjes, hinnekes en kieskes smijten (keilen), waar de twee laatste woorden door de verkeerde opvatting van aantjes als haantjes en niet als eendjes er aan zijn toegevoegd (Kinderspel III, 15). Volgens het Ndl. Wdb. VIII, 927 evenwel hebben we met een fig. toepassing van lak, vernis te doen; 't is maar lak zou dan eigenlijk zijn: 't is maar vernis, 't is maar een uiterlijke schoone schijn; terwijl Franck- v. Wijk, 367 als waarschijnlijk aanneemt, dat we er een overdrachtelijke bet. van lak, gebrek, valsche beschuldiging in moeten zien.(Aanv.) Vgl. Ndl. Wdb. VIII, 3240, waar de hier gegeven gissing omtrent den oorsprong van luilak weinig aannemelijk wordt geacht ‘daar luilak blijkbaar nooit een adj. is geweest’.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal