Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

luiken - (sluiten)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

luiken ww. ‘sluiten’
Mnl. die ogen ... luken ‘de ogen sluiten’ [1265-70; VMNW], dueren ... alsmen die ... loec ‘de deuren, toen men die sloot’ [1285; VMNW], sine oren gheloken ‘met zijn oren dichtgestopt’ [1291-1300; VMNW].
Os. -lūkan (mnd. luken); ohd. lūhhan (nhd. luchen); ofri. lūka; oe. lūcan (me. luken); on. lúka (nijsl. ljúka); got. -lūkan; alle ‘sluiten’, < pgm. *lūkan-.
Daarnaast staan twee ablautende zn., namelijk pgm. *luka- ‘opening’, waaruit: mnl. lock ‘gat, opening’; os. lok ‘id.’ (mnd. lok); ohd. loh ‘id.’ (nhd. Loch); ofri. lok ‘slot’; oe. loc ‘slot’ (ne. lock); on. lok ‘slot, einde’ (nzw. lock ‘deksel’); en pgm. *lukō- ‘afgesloten ruimte’, waaruit: mnl. loke, zie → loket; oe. loca ‘kerker’. Ten slotte kunnen mnl. luke ‘afsluitbare opening’ (nnl. luik, zie onder) en mnd. luke ‘afsluitbare opening in een muur of scheepsdek’ (en door ontlening nhd. Luke ‘id.’ en nfri. lûk) jonge afleidingen van het werkwoord zijn, of worden verklaard uit pgm. *lūka-.
De verdere herkomst van dit werkwoord is onduidelijk, met zekerheid verwante woorden buiten het Germaans ontbreken. De enige, onzekere, mogelijkheid is een verband met enkele woorden die op een betekenis ‘buigen’ terug te voeren zijn: Grieks lugízein ‘draaien, winden, buigen’, lúgos ‘buigzame twijg’; Latijn luctāre ‘worstelen’; Litouws lùgnas ‘buigzaam’; en misschien Oudiers fo-loing ‘verdraagt, duldt’; bij de wortel pie. *leug- of *leuǵ- ‘buigen’ (LIV 416). De variatie pgm. *-u/ū- is opvallend en berust op secundaire verlenging. Minder wrsch. is een ablautrelatie pie. *-u- (nultrap) naast *-eu- met een Germaanse, maar niet algemene klankovergang *-eu- > -ū- (Perridon 2001).
Het werkwoord luiken is als simplex verouderd, maar komt nog wel voor in de vaste verbinding met geloken ogen ‘met neergeslagen ogen’, in de afleidingen hieronder en in → beloken.
luik zn. ‘beweegbaar paneel ter afsluiting’. Mnl. luke ‘schutting, schot’ alleen in samenstellingen als dorenluuc ‘vensterluik’ in die dorenluken daer in den mure [midden 14e eeuw; MNW dorenluuc] en luke-naghelen ‘spijkers voor in een schutting’ [1396; MNW lukenagel]; vnnl. luycke ‘deksel’ en luycke met de aantekening “Hollands, Fries” ‘rookscherm, haardscherm’ [beide 1599; Kil.], ‘afsluitend schot in een scheepsdek’ in tot boven tegen de luycken volgeladen [1658; WNT]; nnl. luik ‘schot voor een kozijnopening’ in de luiken voor haare glazen ‘de luiken voor haar ramen’ [1709; WNT], ‘invulstrook aan een formulier e.d.’ [2005; Van Dale]. Voor de etymologie, zie hierboven. De recente BN betekenis ‘invulstrook’, ook ‘onderdeel’, is een leenbetekenis van Frans volet ‘luik; invulstrook’. ♦ beluik zn. (BN) ‘binnenplaats’. Mnl. beluuc ‘woning, verblijfplaats’ in hij maicte daer een beluyck van droeghen steynen ende also bleif hij daer vier jaer ‘hij bouwde een woning van baksteen en verbleef daar vier jaar’ [1470; MNW]; vnnl. be-luyck ‘ingesloten ruimte’ [1599; Kil.]. Afleiding van mnl. beluken ‘omsluiten’, afleiding met → be- van luiken. ♦ ontluiken ww. ‘zich ontwikkelen, uitkomen’. Onl. antlūcan ‘openen’ in ne antlūke ouir mi putte munt iro ‘moge de afgrond zijn muil niet boven mij opensperren’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. ontluken ‘ontsluiten, openen’ (alleen overgankelijk) in hi ontlooc sine oghen ‘hij opende zijn ogen’ [1348; MNW], overdrachtelijk ontluken ‘bekendmaken’ in ontluken ende uutgheven ‘openbaar maken en bekendmaken’ [1361; MNW]; vnnl. ontluyken ‘openen, ontsluiten’, ook onovergankelijk in de rose ontluyckt [1573; Thes.], ontlook haer gulle jeugt gelijck een versche roos ‘ontplooide haar welige jeugd zich als een frisse roos’ [1635; WNT]. Afleiding van luiken ‘sluiten’ met het voorvoegsel → ont- dat tegenstelling uitdrukt. ♦ oogluikend bw. ‘doende alsof men het niet ziet’. Vnnl. eerst in een afgeleide vorm oogh-luyckinghe doen ‘door de vingers zien, tolereren’ [1599; Kil.], dan God, die ... niet ... door de ving'ren ziet ooghluyckende eenig quaed ‘God, die geen enkel kwaad oogluikend door de vingers ziet’ [1620; WNT]; nnl. daar het oogluikend gedoogd wierd [1775; WNT verband]. Gevormd uit → oog en het teg.deelw. van luiken ‘sluiten’, dus letterlijk ‘het oog sluitend’ ofwel ‘een oogje toeknijpend’.
Lit.: H. Perridon (2001), ‘On the origin of ū in verbs of the type lukan’, in: S. Watts e.a. (red.), Zur Verbmorphologie germanischer Sprachen, Tübingen, 29-37

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

luiken1* [sluiten] {lu(i)ken 1265-1270} oudsaksisch -lūkan, oudhoogduits lūhhan, oudfries, oudnoors lūka, oudengels lūcan, gotisch galūkan; mogelijk verwant met lok; de grondbetekenis zou dan zijn ‘sluiten met vlechtwerk’.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

luiken ww., mnl. lūken ‘sluiten, dekken, blijven steken’, os. lūkan, ohd. lūhhan, ofri. lūka, oe. lūcan, on. lūka, got. ga-lūkan ‘sluiten’. — Daarnaast abl. mnl. loc ‘gat’, mnd. lok ‘gat’, ohd. loh ‘gat, opening, sluiting, gevangenis’ (nhd. loch), ofri. lok ‘sluiting’, oe. loc ‘slot, grendel, besloten ruimte’ (ne. lock), on. lok ‘slot, grendel, luik, ruimte’, got. usluks ‘het openen’, en *lukōn in mnl. loke v., on. loka v. ‘sluiting, grendel’ en *lukan in mnl. loke m., oe. loca. Eindelijk een *lukkja in ohd. lucka, luccha, nhd. lücke v. ‘gat, opening’.

Gaat men uit van een bet. ‘sluiting’, dan kan men vermoeden, dat deze zich weer uit ‘buigen’ zou hebben ontwikkeld (IEW 685 met vraagteken) en dan aansluiting zoeken met de groep van lok 1. Dit kan men steunen met een verwijzing naar een gevlochten omheining, waarvan het vlechten met buigzame twijgen geschiedt, maar die dan tegelijk als afsluiting dient. — Er is geen aanleiding met van Lessen Ts. 57, 1938, 6 aan te knopen aan mnd. lūken ‘trekken, rukken’ (waarvoor zie: lok 2) en dan voor luiken ‘sluiten’ te denken aan een contaminatie sluiten + trekken. — De bet. ‘gat’ behoeft men evenmin met F. A. Wood Post-consonantal w 1926, 23 met *lūkan ‘trekken’ te verbinden en dan van *lūkan ‘sluiten’ te scheiden. Het begrip ‘sluiting’ is correlaat met dat van ‘opening, gat’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

luik znw., o., mnl. lûke(v.?) “middel tot afsluiting”. = mnd. lûke v. “opening in bodem of muur,” die met een luik gesloten wordt”. Uit het Ndd. hd. luke v., wsch. ook de. luge “luik, gat met een luik”. Behoort bij het ww. luiken, mnl. lûken “sluiten, dekken, opsluiten, zich sluiten, blijven steken” = ohd. lûhhan, os. lûkan (in samenst.), ofri. lûka, ags. lûcan, on. lûka, got. ga-lûkan “sluiten” (en verwante bett.). Hierbij met ablaut mnl. loc (k, ck) o. “gat” (vooral nāseloc “neusgat”) (nog limb. lōk, lā̊k), ohd. loh (hh) o. “gat, opening, sluiting, gevangenis, verblijfplaats” (nhd. loch), mnd. lok (ck) “gat”, ofri. lok o. “sluiting”, ags. loc o. “slot, grendel, besloten ruimte, overeenkomst” (eng. lock), on. lok o. “slot, grendel, luik, ruimte, ruim, afloop”, got. us-luks m. “het openen” en on. loka v. “grendel, sluitboom” benevens mnl. lōke, ags. loca (zie loket). Bij ohd. loh sluit zich weer aan ohd. luccha v. “gat, gaping” (nhd. lücke), bij on. lok ’t ww. lykja “sluiten, samenvouwen, ten einde brengen”. De bet. “sluiten” laat zich verklaren uit “een voorwerp over een ander heen trekken”: er is dus geen bezwaar tegen, om dit lûk- te identificeeren met het bij lokken besprokene. De combinatie met arm. lucanem “ik los op”, loic “los, vrij” is minder wsch. en ook laten beide etymologieën zich met ’t oog op de bett. niet goed vereenigen. Voor een ander (dial.) luik zie bij lok.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

luik, luiken. Misschien mag men de bet. ‘sluiten’ uit ‘binden’ verklaren: oudtijds (hier en daar nog) werden deuren gesloten door ze vast te binden: Güntert Ar. Weltk. u. Heiland 68 vlg.; Loewenthal WuS. 9, 192. Dan zou luiken bij de groep van lok kunnen behoren. Niet nodig is het in dat geval ohd. loh ‘gat’, luccha ‘lücke’ van de overige woorden te scheiden en bij het in het art. bedoelde lûk- (mnl. lûken ‘vlas of hennep uitplukken’, ohd. liohhan enz.: zie bij lokken) te brengen (F.A.Wood Post-consonantal w 23).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

luiken ‘sluiten, (over iets heen) trekken’ -> Duits dialect Lücke ‘Tau, das den Segelsaum bildet u. die Mühlensegel oben u. unten an den Flügeln der Windmühle befestigt; jeder Saum hat zwei Enden’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

luiken* sluiten 1265-1270 [CG Lut.K]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut