Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

luidruchtig - (lawaaierig)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

luid bn. ‘hard klinkend’
Onl. eerst als zn. lūt ‘geluid’ in lūt fluodi sinro ‘het geluid van haar golven’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. luut ‘geluid’ [1240; Bern.], dan het bn. ‘luid, hard’ in met luder stemmen ‘met luide stem’ [1265-70; CG II], over luyt ‘zeer luid’ [1390-1410; MNW-R].
Os. hlūd (mnd. lūd); ohd. hlūt (nhd. laut); ofri. hlūd (nfri. lûd); oe. hlūd (alleen bn., ne. loud); alle ‘geluid’ en/of ‘luidruchtig’; < pgm. *hlūda-. Daarnaast met andere ablaut pgm. *hleud- (uitsluitend als zn., alleen Noord-Germaans en Gotisch), waaruit on. hljóð ‘stilte, gehoor’ (nzw. ljud); got. hliuþ ‘stilte’; daarbij ook de afleiding pgm. *hleudjan- ‘luisteren’, waaruit on. hlyda (nzw. lyda).
Verwant met: Grieks klúein ‘horen’, kléos ‘roem’; Latijn cluēre ‘genoemd worden, geprezen worden’; Sanskrit áśrot ‘heeft gehoord’; Litouws sluvēt ‘bekend worden’; Oudiers ro-chúale ‘hoorde’; Armeens lu ‘bekend’; < pie. *ḱleu-, *ḱlu- ‘horen’ (IEW 605). Met het achtervoegsel -s- komt dezelfde wortel voor in → luisteren. Pgm. *-ū- naast *-eu- is secundair en kan verklaard worden als bij → luiken.
Als zn. is luid na het Middelnederlands vervangen door → geluid.
luidruchtig bn. ‘lawaaierig’. Mnl. een luytruchtich zuet gheluyt der voghelen ‘een luid en lieflijk vogelgeluid’ [1488; MNW], men sal niet luytruchtich wesen ‘men mag niet te lawaaierig zijn’ [1500-50; MNW]. Afgeleid met → -ig van luid en mnl. ruchte ‘geschreeuw, geroep’, zie → gerucht en → roepen. In de oudste attestatie nog met een neutrale betekenis ‘luid’, later meestal alleen m.b.t. onaangenaam geluid. ♦ luidspreker zn. ‘toestel om geluid weer te geven’. Nnl. luidspreker ‘id.’ [1914; NRC], loudspeaker [1923; Vaderland], loudspeaker, luidspreker ‘toestel om geluid versterkt te verspreiden’ [1929; Koenen]. Leenvertaling van Engels loud-speaker ‘id.’ [1884; OED]. Ook in de korte vorm speaker [1960; Radio Bulletin], uit Engels speaker [1926; OED].
Lit.: Radio Bulletin, april 1960, 320

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

luidruchtig* [lawaaierig] {luutruchtig 1460} van middelnederlands luut [luid] + ruchtig [luidruchtig], van ruchte [het roepen] (vgl. gerucht).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

luidruchtig bnw., sedert het later-Mnl. ’t Eerste lid is luid I, voor ’t tweede zie berucht.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

luidruchtig. = nnd. lûtröftich tegenover mnd. lûtrö̂pich.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

luidruchtig bijv., z. berucht en gerucht.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

luidruchtig* lawaaierig 1460 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal