Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

luiden - ((doen) klinken; inhouden)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

luiden 1 ww. ‘(doen) klinken; inhouden’
Onl. lūdon sal ‘zal weerklinken’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. luden ook overgankelijk in de belle luden ‘de bel luiden’ [1236; CG I], onovergankelijk luden ‘klinken, galmen enz.’ [1240; Bern.], overdrachtelijk ‘betekenen, inhoud hebben’ in zorobabel, dat luvd meester van babilon ‘... dat betekent heer van Babylon’ [1285; CG II], brieven, dier twee sijn alleens ludende ‘brieven, waarvan er twee dezelfde inhoud hebben’ [1436-43; MNW].
Os. hlūdon ‘klinken’ (mnd. luden); ofri. hlūda ‘klinken’; < pgm. *hlūdēn-, met daarnaast het causatief *hlūdjan-, waaruit: os. -hlūdian ‘doen klinken, bekendmaken’ (mnd. luden); ohd. hlūten, lūten ‘klinken; doen klinken’ (nhd. läuten); ofri. hlēda ‘doen klinken’ (nfri. liede); oe. hlȳdan ‘id., uitroepen, schreeuwen’. Afgeleid van het bn. *hlūda- ‘luid’, zie → luid. De twee werkwoorden zijn in het Nederlands en Nederduits samengevallen aan het eind van de Oudgermaanse periode, toen de reductie van volle klinkers tot sjwa in onbeklemtoonde lettergrepen haar voltooiing naderde.
luidens vz. (BN) ‘volgens, overeenkomstig’. Nnl. luidens kasboek fol. 73 ‘volgens het kasboek, blad 73’ [1843; WNT]. Afleiding van luiden ‘betekenen, inhouden’ met bijwoordelijke → -s. Dit woord is in het NN verouderd.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

luiden ww., mnl. lûden ‘klinken, doen klinken’, onfrank. lūdon ‘klinken’, os. hlūdon ‘geluid geven, kraken’, ohd. hlūten, lūten ‘klinken’ (nhd. läuten), ofri. hlūda ‘luiden’, oe. hlȳdan ‘geluid geven, schreeuwen’, van germ. ww. *hlūdōn of *hlūdian, afgeleid van luid 1.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

luid II znw. (naar l. van), mnl. luut (d) m.o. “geluid, rumoer, stem, het vermelden, Wortlaut, inhoud, vonnis”. = onfr. lût (d) “sonus”, mhd. lût m. “klank, toon, stem, schreeuw” (nhd. laut; ohd. (h)lûta v. “klank”), mnd. lût m.o. “klank, rumoer, gerucht, inhoud”, ofri. hlûd o. “geluid, rumoer, gerucht”. Wsch. eerst gevormd van een der bij luid I gevormde wgerm. ww. *χlûdôn en *χlûdian: mnl. lûden “klinken, doen klinken” (en overdr.), nnl. luiden, onfr. lûdon “tonare”, ohd. (h)lûten “klinken, geluid geven” (nhd. läuten), os. hlûdon “geluid geven, kraken”, ofri. hlûda “luiden” (hlûdia?), ags. hlŷdan “geluid geven, schreeuwen”. Anderen zien in luid II een gesubstantiveerd luid I. Zie nog geluid.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

luiden. Os. en ofri. behalve de geciteerde -ôn-ww. ook een -jan-ww.: os. a-hlûdian ‘doen klinken, verkondigen’, ofri. hlêda ‘klinken, schreeuwen’.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

luiden, luien o.w., denom. van luid 1. = luid zijn en luid maken + Hgd. läuten.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

lojje (ww.) luiden; Aajdnederlands ludon <901-1000>.

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

loeien, ww.: luiden. Limburgse heterofoon van luiden met onverschoven oe en d-syncope.

loewen, ww.: luiden. Met overgangsklank w na d-syncope uit loeden, met Limburgse onverschoven oe naast Ndl. luiden.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

luden, luwen (DB), lujen (K), lugen (DB: B), ww.: luiden. De vormen luwen en lujen hebben hiaatdelgende glijder w/j na de d-syncope. Mnl. luden. 1500-1505 van te wywater ende te sermoene te luwene... om te ongheweerte te luwene ter diverschen stonde, 1581 over tluwen alderheyleghen ende alderzielen, Kortrijk (OWW).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

lui III: klink (bv. ’n klok); ’n (veral skriftelike) inhoud bevat (bv. berig, brief, ens.); Ndl. luiden/luien (Mnl. lūden), Hd. läuten, hou verb. m. geluid en luid (albei reeds Mnl.) en luidens (nog nie by Kil nie), asook m. Hd. laut en Eng. loud, verderop m. Gr. kluein, “hoor”, Lat. cluēre/cluere, “word genoem, heet”.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

luiden ‘(een klok, bel) geluid laten voortbrengen’ -> Zweeds lyda ‘klinken, inhouden, betekenen’ (uit Nederlands of Nederduits);? Madoerees laot ‘schafttijd (aangegeven door het luiden van een bel)’; Sranantongo loi ‘(een klok, bel) geluid laten voortbrengen’.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal