Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

lui - (afkerig van inspanning)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

lui 1 bn. ‘afkerig van inspanning’
Mnl. loei van aerde ‘lui, traag van aard’ [1400-20; MNW], loye vrouwen ‘wulpse, lichtzinnige vrouwen’ [1400-50; MNW]; vnnl. luy ‘lui’ [ca. 1540; MNW y], ley, luy [1599; Kil.].
Mnd. loi; nfri. loai; wrsch. < pgm. *luja-. Daarnaast Zwitsers-Duits lüwen ‘luieren’. Etymologie onbekend. Misschien verwant met on. lúinn ‘uitgeput’ (nijsl. lúi ‘afmatting’).
De -ui is een oorspronkelijke tweeklank, zoals ook in → buitelen.
luiaard zn. ‘lui mens’. Mnl. als toenaam van Gillis Loyaert [1396; Debrabandere 2003], lojaert ‘luiaard’ [ca. 1410; MNW]; vnnl. leyaerden (mv.), luyaert [1544; MNW-R]; nnl. luijaard bij uitbreiding ook als verzamelnaam voor twee bepaalde families van traag bewegende zoogdieren (onderorde Phyllophaga) [1761; WNT traag I]. Afleiding van lui met het achtervoegsel → -aard. ♦ luieren ww. ‘lui zijn, niets uitvoeren’. Vnnl. luyaerden ‘id.’ [1599; Kil.], leuijeren [1612; WNT], luyeren [1613; WNT]. Afleiding van luiaard, maar algauw ontwikkeld tot luieren door verzwakking van de tweede lettergreep, door assimilatie -rd- > -r- en naar analogie van de frequentatieve werkwoorden op (onbeklemtoond) -eren, zoals klapperen, slingeren, stuiteren. ♦ luiwammes zn. ‘lui mens’. Vnnl. luywambes [1691; WNT], luiwambus [1698; WNT]; nnl. luiwammes [1777; WNT]. Samenstelling van lui en de spreektalige nevenvorm wammes van → wambuis in een overdrachtelijke betekenis ‘persoon’. Zie ook → luilak.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

lui3* [vadsig] {loy, loey, leuy, luy [traag, vadsig, wulps] 1440} middelnederduits loi, fries loai; buiten het germ. latijn luere [boeten, (een schuld) goed maken], solvere, (< se luere) [losmaken], grieks luein [losmaken, uitspannen, krachteloos maken] → los2.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

lui 3 bnw. (dial. Zaans, vla. Antw. loi), mnl. loy, loey, leuy ‘lui, geil’, mnd. loie, loi, fri. loai ‘lui’; men kan nog vergelijken zwits. luwen ‘traag zijn, uitrusten’ (Singer, ZfdMundarten 19, 1924, 232). — Verder nog te vergelijken on. lūinn ‘uitgeput’, nijsl. lūi ‘afmatting’. — lat. lues ‘epidemie’, gr. lúō ‘losmaken’, lit. liáuti ophouden’. — Idg. wt. *leu ‘afsnijden, afschillen’ (IEW 682), waarvoor zie: looien.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

lui II bnw., dial. (Zaansch, vla., Antw.) lō̆i, mnl. loy, loey, leuy “lui, geil”. = Teuth. loey “id.”, mnd. loi(e), fri. loai “lui”. Of uit *lu-ja-, bij lit. liáutis “ophouden” enz. (zie sluimeren) óf 1) uit *χlu-ja-, ablautend met lauw, dat ook in de bet. “traag” in ’t Ndl. en elders wordt gebruikt. [ Minder wsch.: prof. H. Kern deelt mij mee, dat l- den klank van ospr. l-, niet χl- heeft. Ik zelf hoor dat verschil niet.]

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

lui II bnw., heeft ui2 als spuiten (zie ald. Suppl.). Buiten de genoemde mnl. mnd. fri. woorden is een geografisch verder afliggende verwant zwits. lüwen ‘traag zijn, uitrusten’: Singer ZsfdeuMua. 19 (1924), 232.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

lui 2 bijv.(vadsig), Mnl. leuy, loy + Ndd. loi, lei, On. lu = afgemat: verder verwantschap onzek.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

lui (bn.) afkerig van werk; Middelnederlands loei <1400-1420>.

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

lei 1, zn.: grote, luie vrouw. Mnl. loy, ley ‘lui’, Vnnl. ley, luy ‘lui’ (Kiliaan); Mnd. loi, Fri. loai. Verwant met Lat. luere ‘boeten’, Gr. luein ‘losmaken’.

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

looi 1, bn.: lui. Mnl. loy, loei ‘lui, vadsig’, Vnnl. loy, luy ‘lui’ (Kiliaan). Mnd. loi, Fri. loai. Germ. *luja-. Afl. looiaard ‘luiaard’: 1406 Jan Croes diemen heet Loyaert, VB (Debrabandere 2003).

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

looi bn.: smakeloos, flauw. Mnl. loy, leuy ‘lui, traag’, Vnnl. loy, luy ‘lui’ (Kiliaan). Zeeuws looi moet op een grondbetekenis ‘krachteloos’ van lui teruggaan. Verwant met Gr. luein ‘losmaken, krachteloos maken’.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

loei (P), bn.: lui. Mnl. loy, loey, leuy ‘lui’, Vroegnnl. loy, luy ‘piger’. Mnd. loi, Fri. loai, Zwitsers luwen ‘traag zijn’.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

lui I: nie-aktief, traag; Ndl. lui (Mnl. lo(e)y/leuy, dial. loi) misk. hoërop verb. m. Gr. luein, “losmaak”; by vRieb luyde (Kloe HGA 178, 294).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

lui ‘vadsig, afkerig van werk of inspanning’ -> Duits dialect loi, leu ‘mat, moe, traag, afkerig van werk of inspanning’; Deens løj ‘vadsig, (scheepvaart of dialect) zonder grote kracht of beweging, stil en rustig’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors løy ‘zwak (van wind)’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds loj ‘sloom, lusteloos’ (uit Nederlands of Nederduits); Frans dialect lôye-èt-lôye, lôyeminôye; lôlôye ‘lui, onverschillig; luie vrouw’; Ambons-Maleis dialect loi ‘vadsig’; Creools-Portugees (Batavia) loi ‘luiaard’; Creools-Portugees (Malakka) loi ‘afkerig van werk’; Negerhollands lui, loi, looje ‘afkerig van werk of inspanning’; Berbice-Nederlands loi ‘vadsig’.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut