Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

lucht - (gasmengsel dat de aarde omgeeft, hemel; geur)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

lucht zn. ‘gasmengsel dat de aarde omgeeft, hemel; geur’
Mnl. logt ‘lucht, onderste luchtlaag’ [1240; Bern.], hoghe in de lucht ‘hoog in de lucht’ [1285; CG II, Rijmb], hare soete lucht ‘hun zoete geur’ [1287; CG II].
Met de klankovergang -ft- > -cht- zoals in → achter ontwikkeld uit Proto-Germaans *luftu-.
Os. luft (mnd. luft); ohd. luft (nhd. Luft); ofri. luft(e) (nfri. loft, naast lucht ‘gas, geur’ als ontlening aan het nnl.); oe. lyft ‘lucht’ (ne. verouderd lift ‘hemelgewelf’; in de algemene betekenis al sinds het me. verdrongen door air); oe. loft ‘lucht, hemel’ (me. ook ‘bovenkamer’, ne. loft, zie het leenwoord → loft; ne. aloft ‘de lucht in’) is ontleend aan het on.; on. lopt ‘lucht’ ook ‘bovenvertrek’ (nzw. loft ‘dakkamer’); got. luftus; alle ‘lucht, hemel’ tenzij anders aangegeven, < pgm. *luftu-. Hiervan afgeleid zijn de werkwoorden: mnl. luchten ‘opheffen’ (zeer zeldzaam, alleen in mnd. gekleurde teksten); mnd. lüchten; mhd. lüften (nhd. lüften); on. lypta (nzw. lyfta; uit het Noord-Germaans me. liften, ne. lift, zie → lift 1 en → lift 2); alle ‘opheffen, de lucht in tillen’; < pgm. *luftjan-, of later in de afzonderlijke talen afgeleid van lucht.
Verdere herkomst onbekend. Er zijn geen zeker verwante woorden buiten het Germaans. De betekenis ‘dakkamer’ in het Noord-Germaans is te verklaren uit ‘dat wat boven gelegen is’, maar volgens sommigen is de betekenisontwikkeling precies andersom geweest en is ‘lucht’ overdrachtelijk ontstaan uit ‘hemeldak’, dat op zijn beurt een overdrachtelijk gebruik van het woord voor ‘dak van boombast’ zou kunnen zijn en dan verwant zou zijn met → loof. Dan zou o.a. Litouws lùbos (v. mv.) ‘zolder’ verwant kunnen zijn.
luchten ww. ‘verdragen; aan frisse lucht blootstellen; uiting geven’. Vnnl. luchten ‘ruiken’ in den reucke vander Cranen luchtende ‘de geur van de kraanvogels ruikende’ [1564; WNT], al overdrachtelijk in dat zy hem niet langher ghesien en mochten nochte luchten ‘dat zij hem niet langer konden zien of luchten’ [1562-92; MNW], die hun ... niet en mogen sien of luchten ‘die hen niet kunnen zien of luchten’ [1602; WNT]; nnl. ‘aan frisse lucht blootstellen’ in klederen lugten [1729; WNT], ‘uiten, uiting geven’ om ... ons humeur eens wat te luchten [1793; WNT], om zijn hart te luchten [1839; WNT]. Afleiding van lucht. ♦ luchtig bn. ‘niet compact; zorgeloos’. Mnl. logteg ‘als lucht, betreffende de lucht, zich in de lucht bevindend’ [1240; Bern.], eenrehande luchtighe substanci ‘(dauw is) een zekere stof in de lucht’ [ca. 1440; MNW]; vnnl. luchtig ‘licht, losjes, lichtvaardig, zorgeloos’ in luchtigh, zonder dwangk [1662; WNT], haer met luchtighe en lustighe redenen te onderhouden ‘haar met opgewekt gepraat te onderhouden’ [1634; WNT]; nnl. van kleding ‘niet krap of warm’ in een luchtig kleed ‘... kledingstuk’ [1708; Sewel NE], lugtig of lugtigjes, lugtiglyk gekleed zyn [1717; Marin NE]. Afleiding van lucht met het achtervoegsel → -ig.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

lucht* [gasmengsel van zuurstof en stikstof] {lucht(e), locht(e) 1201-1250} (met overgang ft > cht als in graft > gracht), oudsaksisch, oudhoogduits luft, oudengels lyft, oudnoors lopt, gotisch luftus; verwanten buiten het germ. zijn niet gevonden. Gezien middelnederduits lucht en oudnoors lopt [zolder] is waarschijnlijk de grondbetekenis ‘bedekking, overdekking’ (uitspansel), vgl. hemel.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

lucht 1 znw. v., mnl. lucht, locht (luft) m.v., os. luft m.v., ohd. luft m.v. (nhd. luft v.), oe. lyft m.v.o., on. lopt o., got. luftus ‘lucht’.

Misschien hetzelfde woord als mnd. lucht ‘bovenste verdieping, zolderkamer’, on. lopt ‘zolder, zoldervertrek’, dat men met de groep van luifel verbindt en dan oorspr. ‘dak van schors of spanen’ zou hebben betekend (Ehrismann PBB 18, 1894, 228). — Is nnl. lucht hetzelfde woord, dan kan men uitgaan van een bet. ‘dak van de wereld.’ Alles vrij onzeker.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

lucht znw., mnl. lucht, locht (luft) m. v. = ohd. luft m. v. (nhd. luft v.), os. luft m. v., ags. lyft m. v. o., on. lopt o., got. luftus (m.?) “lucht”. Oorsprong onbekend. Onzekere combinaties: 1. met lett. elpe “adem”; 2. met on. lopt o. “plafond, zolder” enz.: zie echter luifel, loof, 3. met gr. alapadnós “zwak”, laparós “zacht, week”, lit. alpstù, al̃pti “versmachten, in onmacht vallen”, oi. álpa- “klein” en ndl. laf II (lu- < le-, l-).

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

lucht. Het waarschijnlijkst is de combinatie met on. lopt ‘plafond, zolder’, dat daarom niet van luifel behoeft te worden gescheiden: de oudste bet. zal geweest zijn ‘uitspansel’.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

lucht v., Mnl. id., Os. luft + Ohd. id. (Mhd. en Nhd. id.), Ags. lyft, On. lopt (Zw. en De. luft), Go. luftus: niet buiten het Germ. — Het Ndd. lucht, On. lopt en het aan ’t On. ontleende Eng. loft bet. ook bovenste verdieping, zoldering, balkon, nochtans is ’t waarschijnlijk dat het niet dezelfde woorden zijn als lucht = dampkring, maar eerder verwanten van ons luif en Hgd. laube (z. loods 2.).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

loch (zn.) 1. lucht 2. adem; Vreugmiddelnederlands logt <1240>.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1lug s.nw.
1. Gasmengsel van veral suurstof en stikstof wat die aarde omring en lewe mntl. maak. 2. Uitgestrekte ruimte bokant die aardoppervlakte. 3. (meestal in die verkleinw. luggie) Reuk.
Uit Ndl. lucht (Mnl. lucht, locht). Eerste optekening in Afr. in bet. 1 in Patriotwoordeboek (1902).
D. Luft.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

lug I: atmosfeer, dampkring; reuk, stank; Ndl. lucht (Mnl. lucht locht), Hd. luft, Oeng. lyft, herk. onbek., hou verb. m. Ndl. ww. luchten en Afr. lug in: jou gedagtes/griewe/kennis lug.

Thematische woordenboeken

K. van Dalen-Oskam & M. Mooijaart (2005), Nieuw bijbels lexicon: woorden en uitdrukkingen uit de bijbel in het Nederlands van nu, uitgebreid met De Nieuwe Bijbelvertaling, Amsterdam

Lucht en leegte, schone schijn zonder zinvolle inhoud; rust en ruimte.

In de NBV-vertaling van het bijbelboek Prediker wordt dit beeld gebruikt voor de zinloosheid van allerlei aardse zaken. 'Lucht en leegte, zegt Prediker, lucht en leegte, alles is leegte' (Prediker 1:2, NBV). Deze adequate metafoor was al eerder gebruikt door Frans Cromphout in zijn Bijbel in onze taal, voor elke dag (1994). Ook sluit zij aan bij het gebruik in de NBV van het woord leegte in de figuurlijke betekenis van 'werkloosheid, zinloosheid' en dergelijke, dat we ook in Job en de Psalmen vinden. (Ter vergelijking: in de NBG-vertaling komt leegte überhaupt niet voor.)
Ook omdat deze formulering het vertrouwde ijdelheid der ijdelheden zou gaan vervangen, raakte zij al tijdens de voorpublicatie van de NBV bekend, en de vertalers zelf konden constateren dat ze overgenomen werd door de taalgemeenschap. Zij troffen de eerste toepassing aan in 1998 in de Donald Duck. De uitdrukking is de eerste en vooralsnog enige die vanuit de NBV het Nederlands is binnengedrongen.
Inmiddels is ze (zoals dat nu eenmaal met bijbelse uitdrukkingen gaat) ook gesignaleerd in een heel andere, positieve, toepassing, in de betekenis 'buitenlucht en ruimte' ter karakterisering van een natuurgebied: 'Lucht en leegte. Utrecht, Soesterduinen' ( http://www.demooisteplek.nl/clubs/clubstek/clubstek.asp?clubid=3882 (2003), actief 17-8-2005) of om een begeerlijke droomtoestand aan te duiden: 'Ik wil een Dromer zijn, een heel leven lang zweven en niets anders zijn dan lucht en leegte' (http://www.kunsthuis.nl/lenie/ (2005), actief 17-8-2005).

Alles verdampt, niets dan lucht en leegte. (Abdelkader Benali, De langverwachte, 2003, p. 132).
Als jij niet zegt hoe, wie of wat / Ben ik een opgedolven schat / Die ijdel glanst en klinkt om niet / Met lucht en leegte als verschiet (Cees van der Pluijm, Vlinderdoop/Gedicht, http://www.holbeininstituut.nl/holbeinkunst4.htm, actief 17-8-2005).

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

lucht. In ons enquêtemateriaal komt de verwensing hij kan de lucht in! voor. De betekenis is gelijk aan die van de verwensing blaas hem op!, maar dan wel zonder de bijgedachte aan zak. → opblazen.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

lucht ‘gasmengsel van zuurstof en stikstof; reuk, geur’ -> Fries loft ‘gasmengsel van zuurstof en stikstof’; Deens lugt ‘geur’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors luft ‘gasmengsel van zuurstof en stikstof’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors lukt ‘geur’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds lukt ‘geur’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds luft ‘gasmengsel van zuurstof en stikstof’ (uit Nederlands of Nederduits); Javindo luch, luh ‘gasmengsel van zuurstof en stikstof’; Japans † kūki ‘gasmengsel van zuurstof en stikstof, lett. lege lucht’; Negerhollands loft ‘gasmengsel van zuurstof en stikstof’; Sranantongo loktu ‘gasmengsel van zuurstof en stikstof’.

Dateringen of neologismen

Nicoline van der Sijs (2015-heden), Jaarwoordenzoeker ‘Een woord uit elk jaar 1800-heden’, zie ook bij Onze Taal

dan liever de lucht in! [uitdrukking die wordt gebruikt om aan te geven dat opgeven geen optie is] (1831). In 1831 wordt op de Schelde een Nederlandse kanonneerboot door Antwerpenaren belaagd. Bevelhebber Jan van Speyk blaast bemanning en opstandelingen op onder het spreekwoordelijk geworden motto ‘Dan liever de lucht in!’ In de negentiende eeuw doet bovendien het geloofwaardige verhaal de ronde dat Van Speyk, toen hij de lont in het kruitvat ging steken, met de woorden ‘Berg je billen!’ of ‘Berg je gat!’ de scheepsjongen de raad gaf zich in veiligheid te brengen (wat hem lukte). In hetzelfde jaar vindt de Tiendaagse Veldtocht plaats, waarbij het Nederlandse leger de Belgen verslaat. Vanaf dit moment is de scheiding tussen Nederland en België een feit.

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

lucht* gasmengsel van zuurstof en stikstof 1240 [Bern.]

M. De Coster (1999), Woordenboek van Neologismen: 25 jaar taalaanwinsten, Amsterdam

lucht: er zit — tussen, uitdrukking uit de politiek voor ‘er is een meningsverschil tussen leden van een partij onderling’. In 1996 bezigde Jan Marijnissen, fractievoorzitter van de SP, deze uitdrukking in de Tweede Kamer. → er zit geen licht* tussen x en y.

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

599. Een gat in de lucht slaan.

In scherts wordt dit gezegd, ‘ter aanduiding van een heftig gebaar van verbazing, waarbij men plotseling met de armen in de lucht slaat.’ Zie Tuinman I, 332; W. Leevend VI, 3; Harreb. I, 205 a en Ndl. Wdb. IV, 334. In de 17de eeuw zeide men een gat in den hemel slaan, zooals we o.a. lezen in Hooft's Brieven, 501; Jan Vos, Klucht v. Oene, 247. Bij Brederoo, Symen s. Soeticheit, vs. 29:

Wat hangen daer al dodden ragh!
Maer langhtme daer de raegh-beusem, jae wel, jae wel, dat je hier een reysje sagh,
Je sloeght een gat inden hemel, ick moetme kruyssen en segenen!

897. Onder den blooten hemel,

d.i. in de open lucht. In de middeleeuwen en in de 17de eeuw, evenals nu nog in Vlaanderen, onder den blauwen hemel of onder de blauwe lucht; oorspr. bij onbewolkte lucht, bij helder daglicht, daarna: in de open lucht. Tegen het einde der vorige eeuw schijnt het bijv. naamw. blauw door bloot te zijn vervangen, toen men gevoelde dat het eerste adjectief niet uitdrukte, wat men er mede bedoelde. Zie Tijdschrift IX, 130-134; Ndl. Wdb. II, 2789; 2919 en vgl. op de groene deken (op 't gras), wat te vergelijken is met het hd. bei Mutter Grün schlafen.

1257. Uit de kou zijn,

d.w.z. uit de moeilijkheden zijn, binnen zijn. De oorspr. beteekenis van kou kan zijn bui, hagel, sneeuw en vandaar gevaar, moeilijkheid, onaangename omstandigheid; vgl. zoo komt de kou uit de lucht, op die wijze gaat het gevaar voorbij, gebezigd in 't kaartspel, wanneer de groote troeven er uit zijn (Harreb. I, 444); fri. de kjeld moat fen 'e loft, wat ons hindert moet worden verwijderd. Hiernaast er is geen kou aan de lucht, d.w.z. er is geen vuiltje aan de lucht, er is geen onraad, er is niets dat hindert, o.a. in Ppl. 42: Is d'r wat? o nee m'neer, geen kou an de lucht; bl. 207: D'r is toch geen kou an de lucht.... hoop ik; de Maandag-Courant, 16 Maart 1914, p. 2 k. 2: Sayes speelt minder eerlijk en het gevolg is dat hij een paar maal in de modder wordt geplant, wat een ontzettend hoongebrul bij de Belgen doet opgaan. Er was echter geen kou aan de lucht. – De uitdr. uit de kou zijn komt voor in Nkr. VIII, 14 Febr. p. 7: Maar de patroons zullen den vent wel in de smiezen krijgen, als hij maar blijft aandringen om niets toe te geven, terwijl hij zelf uit de kou is. In Zuid-Nederland: uit de kou zijn, zijn fortuin gemaakt hebben, zijn schaapjes op 't droge hebben (Antw. Idiot. 703). Het tegenovergestelde in de kou wordt vooral gebezigd in de vraag wat doet hij in kou, waarom waagt hij zich in die moeilijkheden; vgl. in de 17de eeuw: Uyl, wat doeje by de spreuwen! bloet, wat doeje in de kouw?Tijdschrift XL, 82.; Nest. 61: Wat doet de stumper in de kou? Hier zit hij of hij zijn laatste oortje versnoept heeft; Schoolm. 250: Wat doet zoo iemand in de koûDe woorden uit de kou in V. Moerk. 157 (Ja wel, help lachen met de vryer, ay lieven uyt de kou) zijn me niet duidelijk.; Nw. School, III, 313: En we jagen alleen stakkers naar huis die zich in de kou wagen; III, 276: Ik moet eerst even uitleggen, hoe deze stakker in de kou is gekomen; VIII, 7 Febr. p. 1: Het doet zeer: maar wat moeten we nou toch met deze stumpers in de kou; Het Volk, 16 Oct. 1915, p. 5 k. 4: Dokter Kuyper heeft ze met klem ontraden om zich in de kou te wagen; De Telegraaf, 8 Jan. 1915 (avondbl.) p. 3 k. 2 (iem. in de kou laten staan).

1439. In de lucht schermen,

d.w.z. veel en ijdel praten, groote woorden gebruiken, zonder iets van belang te zeggen; eig. schermen zonder iets te raken, in 't wild, in het honderd. Zie Van Effen, Spect. III, 221; XI, 93; Tuinman I, 282; Harreb. III, 229 b. Vgl. fr. ce ne sont que des paroles en l'air.

1438. De lucht van iets (in den neus) krijgen,

d.w.z. iets vermoeden, lont ruiken (vgl. lat. odor, vermoeden); den reuk of den neus van iets krijgen; eig. iets beginnen te ruiken, den geur van iets in den neus krijgen, er de snuf van krijgen, een galg in het oog krijgen (17de eeuw). Vgl. Hooft, Brieven, 34: Ergens de lucht van scheppen, achter iets komen, te weten komen, welke bet. de lucht van iets hebben vroeger ook had; Winschooten, 146: Ik heb daar de lugt van weg, ik heb al kennis van die saak; Brederoo I, 220, vs. 213: de lucht krygen; zie verder Langendijk, Wederz. Huw. Bedog, vs. 362; Halma, 328: Hij kreeg er haast delugt van, il en eut bientôt le vent; Sewel, 463; Harreb. II, 39; Het Volk, 3 Maart 1914, p. 10 k. 4; Jord. 243: Als de menschen van de straat maar niets van slechte streken of onfatsoen in den neus snoven; hd. Wind bekommen; eng. to have s. th. in the wind; fr. avoir vent de qqch., hetwelk doet vermoeden, dat onze uitdr. eig. een jagersterm is, en zij het eerst gezegd is van den jachthond, die het wild ruikt (zie Vondel, Harpoen, 98; Huygens, Trijntje Corn. 552; Paffenr. 225: Syn oude leger-hond heeft nu de lucht verloren, de jacht is daer al uyt; Sewel, 463: De lucht van 't wild krygen, to smell out the game; Vondel, Elektra (ed. 1658), bl. 16: Maer als zy kryght een lucht, en rieckt dat broeder staet op 't komen); vgl. ook Waasch Idiot. 413: van iets lucht krijgen; het Westvl. op lucht liggen van iets, op iets geluimd zijn, er zin op hebben (De Bo, 355), dat te vergelijken is met Halma, 328: Ik heb daar geen lugt op, geen zin in (zie ook Winschooten, 146; Boekenoogen, 596); fri. hy krige er de lucht fen, vernam er iets van. Vgl. ook 17de eeuw den snof weg hebben; het fr. flairer en het eng. to scent.(Aanv.) Zie nog Ndl. Wdb. VIII, 3128,

1440. Uit de lucht vallen,

ook uit de wolken vallen, d.w.z. plotseling en onverwacht te voorschijn komen. Ontleend aan het Latijn de caelo decidere; vgl. Plautus, Pers. 259: Ea (occasio) nunc quasi decidit de caelo; Liv. 22, 29, 3: Se acies repente velut caelo demissa ostendit (Otto, 62). De uitdr. vindt men in de 17de eeuw o.a. bij Winschooten, 167: Dat 'er een uit de lugt (tanquam deus è machinâ) mogt koomen te vallen, die uuw uit de nood hielp; bij Van Effen, Spect. IV, 110: Somtyds koomen ook Goden, Godessen.... wanneer men er 't minst om denkt, als uit de lucht vallen, om de ontknooping te maaken van een stuk; Harreb. I, 201: Hij komt uit de lucht vallen als een aangeschoten gans; B.B. 154; 155: Daar komt ze in eens met zoo'n Franschen lawaaischopper uit de lucht vallen. In Zuid-Nederland beteekent hij komt als uit de lucht gevallen, hij weet van de zaak niets, staat beteuterd te kijken (Schuermans, 353 a; Waasch Idiot. 413 b; Rutten, 246; Antw. Idiot. 770In Taal en Letteren I, bl. 62 wordt gedacht aan het oude volksgeloof, dat iemand door bovennatuurlijke macht ineens op eene ver verwijderde plaats kon worden overgebracht. Anderen denken aan een bom, die onverwacht neervalt; vgl. Ndl. Wdb. III, 324 en Schrader, 363: Er fiel wie eine Bombe ins Haus. Het zou ook van meteoorsteenen gezegd kunnen zijn. Vgl. Chomel II, 1252: Op welks gefluit de Leeuwerik als een steen uit de lucht komt vallen.). Vgl. fr. tomber des nues; hd. aus den Wolken fallen; eng. to drop from the clouds.Vgl. onze uitdr. uit de koets vallen, ontnuchterd worden, o.a. in Camera Obscura, Een oude kennis; Handelsblad, 3 Oct. (avondbl.) 1914, p. 1 k. 6: Voor wie misschien onder een Lelio-indruk waren gekomen, al mee tantaseerend, verdween nu álle illusie. Men viel uit de koets. Bij Harreb. I, 428: Hij valt door de koets (zonder vermelding der beteekenis).

1441. Een luchtje scheppen,

d.w.z. wat frissche lucht inademen, eene kleine wandeling doen; eng. to take (or to have) an airing or the air; mnl. coelheit vaten; 16de eeuw: lucht of een luchtken rapen, o.a. Tijdschr. XXI, 92; Anna Bijns, Refr. 153; 433: soete luchten raepen; ook bij Poirters, Mask. 109; 188: een lochtjen rapen. In Antw. een luchtje pakken; fr. prendre l'air (ook fig.); Harreb. II, 39; Landl. 278; 377; enz.

1442. Om een luchtje gaan,

doodgaan, om zeep gaan; eig. uitgaan om een luchtje te scheppen (en niet weerom komen); vgl. fr. se donner de l'air, er vandoor gaan; Erasmus, Colloquia (anno 1664), bl. 178: Werwaerts ymant buyten om een logjen gaet; Winschooten, 146: Ik gaa om een lugje: ik gaa om een aavondlugje, naamendlijk te scheppen. Zie ook Starter, 441; Van Moerk. 87 en Halma, 328: Om een lugtje gaan, eene wandeling gaan doen, prendre l'air, se promener; Om een lugtje raaken, van kant of om hals raaken, passer le pas, être tué, périr; Tuinman I, 143: Om een luchtje geraken, om hals komen. Euphemistisch gebruikt men deze uitdr. ook voor doodgaan, evenals om een luchtje raken, dat Winschooten, 146 citeert: Om een lugje sijn: om een lugje raaken: om hals raaken; Snorp. I, 24: Hy is al om een luchje, den aessem is hem estopt. Ook zeide men: iemand om een luchtje helpen (bij Visscher, Brabb. 92; Baardt, Deugd. Sp. 11; Tuinman I, 143) en iemand om een luchtje zenden (Van Effen, Spect. IX, 15). Zie Onze Volkstaal I, 240, waar wordt medegedeeld, dat men te Zandvoort onder om een lechie gaen verstaat: een dutje gaan doen; Molema, 245 b: om 'n lochie goan, om zeep gaan, in vlammen opgaan; Boekenoogen, 582 b: om een lochie zijn, verbranden; fri. om in luchje gean, doodgaan, op de flesch gaan.(Aanv.) Zie nog Ndl. Wdb. VIII, 3122.

2464. Beter éen vogel in de hand dan tien in de lucht,

d.i. het zekere is boven het onzekere te verkiezen; eene gedachte, die op soortgelijke wijze al vroeg in onze literatuur wordt uitgedrukt. Vgl. Boeth. 190 c: Beter es een mussce in de hant dan twee up dhaghe; Goedthals, 48: Beter eenen vogel in de hant dan thien over 't lant, mieux vaut un present, que deux, et dire, attends; Prov. Comm. 135: beter eenen voghel ondert net dan X in de lucht, est avis in reti melior grege quoque volanti; mlat. una avis in laqueo plus valet octo vagis; Bebel, 55: melior est avis in manu vel nido quam decem in aere; Campen, 11: tis beter een Mussche in der handt, dan een Krane oppet dack (vgl. mlat. plus valet in manibus passer quam sub dubio grus); Coornhert, 467 b: Een mosche is beter inder hant dan thien oyevaeren inder lucht; Vondel, War. d. Dieren, CXVII; Idinau, 98:

 T' is beter een voghel in de handt,
 Dan seven die noch in de locht vlieghen:
 So is een kleyn beter, als seker pandt,
 Dan groote beloften, die dickmal bedrieghen.
 T' staet qualijck te gader, waer-segghen en lieghen.

Winschooten, 146: Het is beeter een Voogel in de hand, als tien in de lugt; Tuinman I, 131; II, 176; Taalgids IV, 250; Welters, 79; Harreb. I, 276 b; III, 214; Antw. Idiot. 1393; Waasch Idiot. 121: beter een duit in de hand als een blanke in den kant; 323: een vogel in de hand is beter als tien in den kant (heg); Ndl. Wdb. V, 1812, alwaar gewezen wordt op het onr. betri ein kráka i hendi en tvaer i skógi (13de eeuw); Wander IV, 1646; 1653-1654; Eckart, 547; fr. un moineau dans la main vaut mieux qu'une grue qui vole; hd. ein Sperling in der Hand ist besser als eine Taube auf dem Dache; eng. a bird in the hand is worth two in the bush. Vgl. V.d. Venne, Voor-Beduydsel, 5: Beter een Turf in de Keucken als duysent op het Veenlant.

2486. Er is geen vuiltje (of geen wolkje) aan de lucht,

eig. de lucht is helder; geen donkere wolk, die slecht weer voorspelt, is er te zien; overdr. er is niets te vreezen, er is geen onraad, niets dat hindert, alles is in orde. Vgl. Harrebomée II, 38; Nkr. II, 18 Oct. p. 4: Mooi weertje vandaag, meneer. Zegt u dat wel, meneer. Er is om zoo te zeggen geen vuiltje aan de lucht; III, 9 Mei p. 6; VI, 16 Maart p. 3; G. Kalff, Het Onderwijs in de Moedertaal, 115Amsterdam, J.H. de Bussy, 1893.: Al zijn een paar van zulke speelsche kleine schepsels ook nog zoo absent, bij eene plotselinge stilte (in de klasse) waarschuwt hun instinct hen onmiddellijk, dat er een vuiltje aan de lucht is; Zondagsblad v. Het Volk, 21 Febr. 1914, p. 1 k. 4: De zeven vette jaren waren al achter den rug, en waren gevolgd door nieuwe zeven vette jaren, en nog was er geen vuiltje aan de lucht; Het Volk, 1 Oct. 1913, p. 5 k. 4: 'n Goed anarchistisch abonné van de ‘Courant, welke, niettegenstaande er gestaakt werd, kalm elken avond zijn blaadje ging halen, alsof er geen vuiltje aan de lucht was; 18 Sept. 1914, p. 3 k. 2: Men handelt en scharrelt er (op de Beurs), alsof er geen vuiltje aan de lucht is. De ‘vrije fondsenhandel’ bloeit, ondanks sluiting en Beurswet; 29 Juni 1914, p. 7 k. 4: Om bij de klanten den indruk te vestigen dat er ten opzichte van het te maken werk geen vuiltje aan de lucht is; Nw. School VI, 4; De Arbeid, 8 April 1914, p. 4 k. 1: De modernen gaan voort met knoeien alsof er geen vuiltje aan de lucht is; De Amsterdammer, 30 Aug. 1924, p. 1: Slaat geen alarm als er geen vuiltje aan de lucht is; enz.; De Telegraaf, 4 Dec. 1914 (avondbl.), p. 7 k. 2: De vermakelijkheden vinden plaats alsof er geen wolkje aan de lucht is; Het Volk, 7 Nov. 1913, p. 2 k. 1: In het artikel van 1 Augustus uitte zich echter de medewerker zóódanig, dat de indruk moest worden gewekt, alsof er geen wolkje meer aan de lucht was; Kent. 131: Vandaag is er geen wolkje meer aan de lucht; Handelsblad, 9 April 1915 (avondbl.), p. 1 k. 6: Zij vermaakten zich best, deden alsof er geen wolkje aan de lucht was; De Arbeid, 10 April 1915, p. 4 k. 1: Ge doet alsof alles in de beste orde en er geen wolkje aan de lucht is; Het Volk, 29 Juli 1915, p. 3 k. 1; enz. Zie no. 1197.

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

leup- und leub-, leubh- ‘abschälen, entrinden, abbrechen, beschädigen’, wohl Erweiterungen von leu-2.

Mit b:
Aisl. laupr m., -leypi n., -leypa f. ‘Korb, Holzwerk’, ags. léap m. ‘Korb, Rumpf’, mnd. lōp m. ‘hölzernes Gefäß’, lǣpen n. ‘Korb’; die baltoslav. Beispiele unten können ebensogut b wie bh enthalten.
Mit bh:
Lat. liber ‘Bast, Buch’ (*luber, *lubh-ro-s);
alb. labë ‘Rinde, Kork’ (*loubh-);
air. luib, nir. luibh f. ‘Kraut’, air. lub-gort ‘Garten’, acymr. Pl. luird ‘Gärten’;
got. lubja-leis ‘giftkundig’, aisl. lȳf f. ‘Heilkraut’, ags. lybb n. ‘Gift, Zauber’, lyfesn f. ‘Zauber’. as. lubbi, ahd. luppi ‘Pflanzensaft, Gift, Zauber’; got. laufs m., lauf n. ‘Laub, Blatt’, ags. léaf, ahd. loub n. ds., louba f. ‘Schutzdach aus Rinde’, nhd. Laube;
lit. lubà ‘Brett’, lett. luba ‘Dachschindel’, apr. lubbo f. ‘Brett’, ablaut. lit. luõbas m. ‘Baumrinde’ (*lōubhos), lett. luõbs m. ‘Schale’; lit. lùbena ‘Obstschale’;
russ. lub ‘Borke, Bast’, usw., ksl. lъbь ‘Schädel’, serb. lùbina ds.;
Mit p:
Ai. lumpáti ‘zerbricht, beschädigt, plündert’, lōpáyati ‘verletzt’ (= slav. lupiti, lit. laupýti), lōptra- n. ‘Beule’;
gr. λύ̄πη f. ‘Kränkung’, λῡπέω ‘betrübe’, usw.;
lit. lupù, lupti ‘abhäuten, schälen’, lett. lupt ‘ds., berauben’, lit. laupýti, lett. laupít ‘schälen, abblättern; rauben’, lit. lùpena ‘Obstschale’, lupsnìs ‘abgeschälte Tannenrinde’;
russ. lupljú, lupítь ‘schälen, abschälen; aufpicken (Eier); die Augen aufreißen, glotzen; schlagen, prügeln’, lúpa ‘Hautschuppe’, ksl. lupežь ‘Raub’ (usw.);
unklar ist der Labial (b, bh oder p) in mir. luchtar ‘Boot’ (aus Rinde), ahd. lo(u)ft ‘Rinde, Bast’, aisl. lopt n. ‘Zimmerdecke, Dachstube’ und ‘Luft’ (‘Himmel als obere Decke’), got. luftus f., ahd as. luft m. f., ags lyft m. f. n. ‘Luft, Himmel’, mnd. lucht ‘Oberstock, Bodenraum’; ebenso unklar in air. lomm, cymr. llwm ‘bloß, nackt’ (*lup-smo- oder *lub(h)-smo-), mir. lommraim ‘schäle’; unklar ist mir. lumman ‘covering’.

WP. II 417 f., WH. I 790 f., Trautmann 150 f.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal