Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

lozen - (zich ontdoen van)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

lozen ww. ‘zich ontdoen van’
Onl. lōson ‘verlossen, bevrijden’ in samo loosen ich thi per baptismum a diabolica seruitute ‘zo ook verlos ik je door de doop van de slavernij van de duivel’ [ca. 1100; Will.]; mnl. lozen ‘aflossen, vrijkopen’ [1275; CG I]; vnnl. loosen ‘zich ontdoen van’ [1551; WNT], i.h.b. van vloeistoffen, in sluyssen ... te openen, omme 't water daer deur te losen [1578; WNT], geen water hebbende geloost ‘niet te hebben geürineerd’ [ca. 1640; WNT].
Os. lōsian (mnd. lösen); ohd. losen (nhd. lösen); ofri. lēsa; oe. līesan (me. lēsen); on. leysa (nzw. lösa); got. lausjan; < pgm. *lausjan-, afleiding van het bn. *lausa- ‘los, vrij’, zie → loos en → los 1.
In het Middelnederlands was dit woord grotendeels synoniem met → lossen. In de meeste betekenissen is lozen nu verouderd; alleen de betekenis ‘zich ontdoen van’ is blijven bestaan, vooral met betrekking tot vloeibare afvalstoffen.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

lozen* [losmaken, verwijderen] {losen 1275} oudhoogduits losen, losin, oudsaksisch losian, oudfries lesa, oudengels liesan, gotisch lausjan, van loos1.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

lozen ww., mnl. lôsen ‘los maken, bevrijden, lozen, lossen, verliezen, inlossen, zich kwijten van’, onfrank. lōsin, lōson (in samenstell.), os. lōsian, ohd. lōsen ‘losmaken, bevrijden, loskopen’ (nhd. losen), ofri. lēsa ‘losmaken, bevrijden, inlossen’, oe. līesan ‘losmaken, loskopen, bevrijden’ (ne. re-lease), on. leysa ‘losmaken, loskopen, inlossen, doen ophouden, een oplossing geven’, got. lausjan ‘losmaken, bevrijden, eisen, krachteloos maken’. — Afl. van loos 3 en zie ook: lossen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

loozen ww. Afl. van loos II. Mnl. lôsen “los maken, bevrijden, loslaten, loozen, lossen, verliezen, inlossen, zich kwijten van”. = onfr. lôsin, -on (in samenst.), ohd. lôsen “losmaken, bevrijden, loskoopen (nhd. lösen), os. lôsian “id.”, ofri. lêsa “id., (een pand) inlossen”, ags. lîesan “losmaken, loskoopen, bevrijden” (eng. to re-lease), on. leysa “id., betalen, inlossen, wegsturen, doen breken, doen ophouden, een oplossing geven”, got. lausjan “losmaken, bevrijden, eischen, krachteloos maken”. Zie lossen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

loozen o.w., Mnl. losen, Onfra. lôson, Os. lôsian + Ohd. lôsen (Mhd. lœ̄sen, Nhd. lösen), Ags. líesan, Ofri. lésa, On. leysa. Go. lausjan: denomin. van loos 3.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

lozen ‘losmaken, verwijderen’ -> Fries loaze ‘losmaken, verwijderen’; Papiaments lòs un awa, lòs un keshi ‘seksueel bevredigd worden (gezegd van een man)’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

lozen* losmaken, verwijderen 1275 [CG I1, 282]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut