Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

lotgeval - (datgene wat er geschiedt)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

lot zn. ‘voorbestemming; aandeel in een loterij’
Onl. loz ‘lot, erfdeel, stuk land’ [10e eeuw; W.Ps.], maar dit is een Hoogduitse vorm; mnl. loet /lōt/ ‘id.’ [1240; Bern.], lot ‘voorwerp waarmee een toevallige beslissing wordt genomen’ in dat op hare ... mochte vallen dat lot ‘dat het lot op haar zou kunnen vallen’ [1265-70; CG II], ‘erfdeel, stuk land’ in teerste lod hadde iudas ‘het eerste stuk land kreeg Judas’ [1285; CG II].
Ohd. hluz; ofri. hlot (nfri. lot); oe. hlot (ne. lot, ook ‘stuk land; hoeveelheid, grote hoeveelheid’); on. hlutr (nzw. lott); alle ‘lot, erfdeel’, < pgm. *hluta- (o.; nultrap). Verwant met het ablautende sterke werkwoord *hleutan- ‘loten’ zoals genoemd bij → loten. Daarnaast staat het synoniem pgm. *hlauti- (m.; voltrap met pie. *o), waaruit: os. hlōt; ohd. (h)lōz (nhd. Los); oe. hlȳt ‘noodlot’; got. hlauts.
Verdere herkomst onduidelijk. De Germaanse betekenis is zeer specifiek en biedt geen vergelijkingsmogelijkheden buiten het Germaans. Op grond van de werkwoordelijke betekenis en een gemeenschappelijke wortel pie. *kleu- (IEW 604) laten zich het best enkele Baltische woorden vergelijken: Litouws kliūti ‘geraken, worden, blijven hangen’, Lets klũt ‘id.’ en Litouws kliáutis ‘ineenpassen’.
Oudfrans lot ‘erfdeel’ (loz mv. [1140; TLF]), ‘lot, aandeel, portie’ [ca. 1245; Rey], ‘lot uit een loterij’ [1680; Rey] is ontleend aan Frankisch, en dus Oudnederlands *lot.
lotgeval zn. ‘voorval, avontuur’. Vnnl. by lotgeval ‘door de toevallige loop der gebeurtenissen’ [ca. 1635; WNT]; nnl. meestal lotgevallen (mv.) ‘voorvallen, gebeurtenissen’ in het karakter, de lotgevallen, en het sterven der menschen [1765; WNT]. Samenstelling van lot en → geval.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

† lotgeval znw. o., niet bij Kil., wel al bij Hooft.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

lotgeval ‘datgene wat er geschiedt’ -> Duits dialect † Lottgefallen ‘loten’.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut