Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

lord - (Britse titel)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

lord zn. ‘Britse titel’
Vnnl. mette sake van lord Gray ‘met de zaak van Lord Gray’ [1602; iWNT offendeeren], Den Lord Guilford [1685; iWNT water].
Ontleend aan Engels lord ‘adellijke titel, heer’ [1455; OED], ontwikkeld uit Oudengels hlāford of hlaferd ‘heer, meester, hoofd van een huishouding’ [ca. 950; OED], samenstelling van hlāf ‘brood’ en een onbetoonde nevenvorm van weard ‘beheeder, wachter’. De letterlijke betekenis is dus ‘broodwachter’, ofwel ‘hij die het brood beheert (van zijn onderdanen)’, maar al in de oudste Engelse attestaties heeft het woord de bovengenoemde algemene betekenis. Zie ook → compagnon en → lady.
Bij oe. hlāf ‘brood’ (ne. loaf ‘een brood’) horen: ohd. leip ‘brood’ (nhd. Laib, Leib ‘(een) brood’); on. hleifr ‘id.’ (nzw. lev); got. hlaifs ‘brood’; < pgm. *hlaiba-. Aan het Germaans ontleend zijn wrsch.: Litouws kliẽpas, Lets klàips, Oudkerkslavisch chlěbŭ (Russisch chleb), Fins leipä, Ests leip. Als algemeen woord voor ‘brood’ is het vervangen door → brood.
Voor het tweede lid oe. weard ‘wachter’ zie → deurwaarder.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

lord [titel] {1685} < engels lord < middelengels laverd, oudengels hlaford, etc., van hlāf [brood] (engels loaf) + weard [bewaker] (vgl. steward), verwant met middelnederlands waerden [waken over], waerder [bewaker] (vgl. deurwaarder); de oorspronkelijke betekenis is dus ‘behoeder van het brood’ = broodheer → lady.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

lord s.nw.
1. Titel vir verskeie manlike lede uit die Britse adelstand. 2. (slegs in die mv. lords) Manlike lede van die Britse adel wat sitting het in die hoërhuis, die House of Lords. 3. Manlike persoon wat maak asof hy in hoë sosiale kringe beweeg, baie gemaklik lewe en nie sy hande onnodig gebruik nie.
In bet. 1 en 2 uit Eng. lord (1300's in bet. 1, 1451 in bet. 2). Bet. 3 het in Afr. self ontwikkel.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

lord (Engels lord)
Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

lord titel 1685 [WNT water] <Engels

Hosted by Meertens Instituut