Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

loot - (jonge boomtak)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

loot zn. ‘jonge boomtak’
Onl. *lōt ‘jonge tak, twijg’ in de plaatsnaam Lotde ‘Leuth (Gelderland)’, letterlijk ‘plaats waar jong hout groeit’ [891-892, kopie ca. 1172; Künzel]; mnl. lote, loot ‘jonge tak, twijg’ in die loten des balsems ‘de jonge twijgen van de balsemboom’ [1488; MNW]; vnnl. loote ‘spruit, jonge tak’ [1599; Kil.], daer quamen nieuwe looten [1652; WNT druif], ook overdrachtelijk ‘kinderen, nakomelingen’ in eedele loten ‘edel nageslacht’ [1678; WNT].
NEW verbindt dit woord met Oudhoogduits -lota, -lata in sumarlata ‘zomertwijg’ en jārlota ‘spruit, jonge tak’, maar dan zou men in het Nederlands *lode verwachten, zoals ook Oudsaksisch loda ‘spruit, jonge tak’. Aangenomen moet dan worden dat de verscherping van -d naar -t berust op de uitspraak van lood met -t, waarbij volgens Van Haeringen (FvWS) ook invloed van spruit of scheut kan hebben meegespeeld.
Als de oorspr. vorm inderdaad *lōda is, dan gaat die terug op *landa-, een vorm van de wortel van pgm. *leudan- ‘groeien’, zie → lieden, waaruit os. liodan; ohd. -liotan; oe. lēodan; got. liudan alle ‘groeien’; ook on. loðinn (verl.deelw.) ‘harig’, zie → loden 1.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

loot* [boomscheut] {lote, loot 1464} oudsaksisch -loda, nederduits lode, oudhoogduits lota (hoogduits Lote), bij een ww. voor groeien, vgl. lieden.

lot1* [scheut] {1604} nevenvorm van loot.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

loot znw. v., mnl. lōte, loot v. ‘spruit, telg, stek’, Kiliaen loote (Holl.), oostfri. lote, lōt naast lode, lōd, fri. leat, loat ‘loot’. Het is hetzelfde woord als nhd. lode ‘spruit van loofbomen’, vgl. os. sumerlode, ohd. lota ‘loot’, dat met germ. *liudan ‘groeien’ samenhangt, waarvoor zie: lieden.

Er is geen reden om naast germ. *lauda-, luda- ook een *lauta-, luta- aan te nemen; de verscherping d > t kan berusten op de uitspraak van het enk. loot. Of woorden als spruit, scheut daarbij van invloed kunnen zijn geweest (van Haeringen Suppl. 104) is hoogst twijfelachtig.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

loot znw. Kil. loote (“Holl.”), mnl. lote (v.?). Op ō wijst Goer. lōtǝ. Vgl. met t oostfri. lote, lôt (naast lode, lôd), fri. leat (ea > germ. au), loat “loot”. Bezwaarlijk te scheiden van ohd. lota, os. sumer-lode v. “loot”, hoewel de t moeilijkheden oplevert. Dat we aan ontl. uit het Hd. denken moeten, is niet wsch., en een onverbogen vorm op t, die op de verbogen naamvallen assimileerend zou kunnen hebben gewerkt, is zoo oud niet, bestaat nog niet eens in alle diall. Ohd. lota komt van de bij lieden besproken germ. basis leuð- “groeien”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

loot. De jongere vorm lot, die bij Kil. nog niet vermeld is, kan germ. u hebben (vgl. goer. lōtə), maar ook met bros, dof en lof I te vergelijken zijn.
Is de bevreemdende t wellicht aan invloed van de synoniemen spruit en scheut toe te schrijven?

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

loot v., Mnl. lote; daarnevens met ander dentaal Ndd. lode, Hgd. lote: beide wel hetz. woord en van Germ. wrt. leud = groeien (z. lieden) of wrt. hleut, verwant met dien van hout.

lot 3 o., bijvorm van loot (z.d.w.)

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

loot I: jong tak; nakomeling; Ndl. loot (Mnl. lote, by Kil loote), Hd. lode, hoofs. WGerm.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Loot, lot (telg), waarschijnlijk van den Germ. wt. leud = groeien.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

loot* boomscheut 0891-892 [Künzel]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut