Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

-loos - (zonder)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

-loos achterv. ‘zonder’
Onl. hulpilōs ‘hulpeloos’ [10e eeuw; W.Ps.], slāplōs ‘slapeloos’ [ca. 1100; Will.].
Hetzelfde woord als het bn.loos in de in het Middelnederlands al vrij zeldzame betekenis ‘vrij van, verstoken van, zonder’, die echter nog wel bestaat in de andere Germaanse talen en in het verwante bn.los 1.
Os. -lōs (mnd. -lōs); ohd. -lōs (nhd. -los); ofri. -lās (nfri. -leas); oe. -lēas (ne. -less); on. -lauss (nzw. -lös); got. -laus.
Tot en met de Middelnederlandse periode staat -loos alleen achter zn., bijv. in kosteloos, goddeloos, tandeloos. Omdat het grondwoord in veel gevallen ook opgevat kon worden als werkwoordstam, zoals in bijv. hopeloos, slapeloos, ontstonden naar analogie daarvan vanaf de 16e eeuw ook vormingen met een werkwoord als reddeloos, roerloos. Het achtervoegsel is nog steeds productief: laat-20e-eeuws zijn bijv. ideeëloos, papierloos. Ook in het Hoogduits is -los productief, en veel Nederlandse afleidingen zijn gevormd naar Duits model, bijv. uitzichtloos ‘zonder vooruitzichten’ naar Duits aussichtslos.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

-loos* [achtervoegsel waarmee van zn. bn. worden afgeleid met de betekenis ‘zonder’] {in bv. ro(e)keloos 1236} ablautend met verliezen, was vroeger een zelfstandig woord, hetzelfde woord als loos1, vgl. gotisch laus [los van, leeg, vergeefs], maar verzwakte in betekenis onder hd. invloed tot ‘zonder’, bv. draadloos [pijnloos]. Het stond oorspr. slechts achter zn. (redeloos), later ook achter ww. (reddeloos), maar dat laatste is niet meer productief.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

loos 4 suffix, mnl. -loos, os. ohd. -lōs, ofri. -lās, oe. -lēas (ne. -less), on. -lauss, got. -laus bevat het bnw. loos 3 in de bet. ‘los van, zonder’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

-loos III suffix, mnl. -loos. — ohd. -lôs (nhd. -los), os. -lôs, ofri. -lâs, ags. -lêas (eng. -less), on. -lauss, got. -laus, tweede compositielid. = loos II met de bet. “los van, vrij van, zonder”. In sommige talen is ’t nog niet tot een suffix geworden, doordat men altijd nog de identiteit met loos II voelt.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

redden, † reddeloos ww. resp. bnw. Niet bij Kil. Met -loos III van de stam van redden. Het suffix, dat eerst uitsluitend achter znww. werd gevoegd, vormde later, doordat bepaalde znww. het uitzien hadden van werkw. stammen (vgl. hopeloos, werkeloos), ook bnww. uit ww.-stammen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

5. -loos suffix, Mnl. id., Os. lôs + Ohd. -lôs (Mhd. en Nhd. id.), Ags. -léas (Eng. -less), Ofri. -lás, On. -lauss, Go. -laus: is hetz. w. als loos 3.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

-loos ‘zonder’ (Duits -los)

S. Theissen (1978), Germanismen in het Nederlands, Hasselt

-loos

Enkele adjectieven op -loos worden soms als germanismen beschouwd:

a. Restloos

Dit is volgens de taalzuiveraars een germanisme (D. ‘restlos’) voor ‘volkomen, volledig’. In de jaren ’50 noemde Koenen het zelfs een ‘ontoelaatbaar germanisme’. Daarna vermeldt hij dit woord niet meer. Ook in de andere verklarende woordenboeken zal men het vergeefs zoeken. Nochtans noemt het WNT (1973) restloos een ‘in min of meer wetenschappelijke taal ingeburgerd germanisme’.

b. Statenloos

Dit is een vrij recent woord: in de woordenboeken vindt men het pas vanaf de jaren ’50. Behalve in Jansonius wordt het algemeen afgekeurd als een germanisme (D. ‘staatenloos’) voor ‘staatloos, zonder nationalitiet’.

Nochtans wordt statenloos in de kranten veel vaker gebruikt dan ‘staatloos’: ziehier twee voorbeelden uit dezelfde krant:

‘200 statenloze Aziatische vluchtelingen’ (Het Volk, 12.10.72, p. 14)
‘10 tot 12 000 staatloze Aziaten’ (Het Volk, 14.10.72, p. 4)

c. Uitzichtloos

Een uitzichtloze 53-34 achterstand...’ (Volksgazet, 9.10.72, p. 15)
‘Een uitzichtloze crisis...’ (De Groene, 28.11.72, p. 5)

Dit is eveneens een vrij recent woord: in de handboeken taalzuivering vindt men het pas vanaf de jaren ’40: daar wordt het afgekeurd als germanisme (D. ‘aussichtslos’) voor ‘hopeloos, zonder vooruitzichten’.

Enkele woordenboeken, zoals Van Dale, Jansonius en Koenen, aanvaarden het; de andere hebben het nog niet opgenomen. In de kranten zal men uitzichtloos (soms met een verbindings-s) reeds vaak tegenkomen.

Conclusie:

We constateren dat een afleiding op -loos, ook als het grondwoord onnederlands is of een verkeerde vorm heeft, toch soms niet te stuiten is: statenloos wordt ondanks alle verzet al vaker gebruikt dan ‘staatloos’. Wat uitzichtloos betreft is men niet zeker of het grondwoord wel onnederlands is want ‘uitzicht’ kan de betekenis van ‘vooruitzicht’ hebben.

Men hoeft hier trouwens niet dadelijk aan Duitse invloed te denken want het suffix -loos is uitermate produktief: in Van Dale vindt men er ongeveer 300.

In de 10e druk (1976) staan er alweer 4 nieuwe: moeite-, richting-, rimpel- en uitdrukkingloos. Bovendien komt men in de kranten tientallen afleidingen op -loos tegen, die men nog niet in de woordenboeken zal aantreffen, bijv. behaloos, doelpuntloos, wijzerloos (horloge). enz.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal