Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

loos - (los, leeg)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

loos bn. ‘niet echt, inhoudsloos’
Onl. lōs ‘bedrieglijk, onbetrouwbaar, vals’ in ir ... spracun losa thing ‘zij spraken kwade dingen’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. loes ‘id.’ [1240; Bern.], loos, ook ‘los, niet vast’ in met lozen nade ‘met losse naad’ [1277; CG I] en ‘zonder, vrij van’ in van den live los ‘levenloos, dood’ [1390-1410; MNW-R]; vnnl. loos ‘niet echt, inhoudsloos’ in een loose bootschap [1615; WNT] en eenen losen alarm [1544; WNT Supp. alarm].
Os. lōs (mnd. lōs); ohd. lōs (nhd. los); ofri. lās (maar nfri. loas < nnl.); oe. lēas (me. lēas); on. lauss ook ‘los’ (nzw. lös; door ontlening me. lōs > ne. loose ‘los’); got. laus; alle ‘vrij van, leeg’, West- en Noord-Germaans ook ‘vals, bedrieglijk, lichtzinnig e.d.’, < pgm. *lausa-, voltrap met pie. *o bij *lusa- (zie → los 1 ‘niet vast’) en *leusa- (zie → verliezen). Voor de afleiding *laus-jan-, zie → lozen.
De oorspr. Germaanse betekenis ‘vrij van, los, niet vast of stevig’ is in het Nederlands weinig geattesteerd, maar hieruit is wel al vroeg het in alle Germaanse talen voorkomende achtervoegsel → -loos ontstaan. Uit de betekenisnuance ‘onvast, lichtvaardig, lichtzinnig’ kon in het Nederlands ‘bedrieglijk, onbetrouwbaar’ ontstaan, wat de oudste en frequentste Middelnederlandse betekenis is. Later werd dit afgezwakt tot ‘listig, sluw’ en ‘schalks, ondeugend’, zoals in het volksliedje daar was laatst een meisje loos. Tegenwoordig wordt het woord meestal gebruikt m.b.t. abstracte zaken, zoals loze woorden, loze belofte, loos alarm. Ten slotte is de verbinding wat is er loos ‘wat is er aan de hand’ een 20e-eeuwse leenvertaling van Duits was ist los ‘id.’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

loos1* [los, leeg] {oudnederlands lōs [vals] 901-1000, middelnederlands loos [los, vals, lastig]} oudsaksisch, oudhoogduits lōs [los, bedrieglijk], oudengels leas [leeg, beroofd, vals], oudnoors lauss [los, leeg, lichtzinnig], gotisch laus [los, leeg], verwant met verliezen.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

loos

Er zijn weinig woorden in het Nederlands met zoveel verschillende betekenissen als het woord loos. Het is verwant met verliezen en met los, met Latijn luere dat eigenlijk: afwassen betekent evenals Grieks louein. De eigenlijke betekenis van loos is: los, afzonderlijk, niet stevig samenhangend. In Ezech. 13:11 is sprake van loze kalk voor: onwerkzame kalk en in een oud reisjournaal bouwen inlanders loze: losstaande hutten. Gewoon is nog de betekenis: ledig (loze aren, een loze noot). Daaruit volgt die van: bedrieglijk, vals. De loze wolf verslindt het schaapje. Ook is loos: ijdel, zonder betekenis. Men paait iemand met loze beloften. Dan volgt: listig, geslepen: vosje loos verschalkt de kippen. Maar loos is ook: schalks, ondeugend. Men denke aan: Daar was eens een meisje loos. En tenslotte is er de betekenis: voorgewend, niet echt (loos alarm).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

loos 1 znw. v. ‘losse bocht in een touw’, eerst na Kiliaen, is hetzelfde woord als loos 3.

loos 3 bnw. mnl. loos ‘los, vrij van, vals, bedriegelijk, slim’, onfrank. lōs ‘vals, listig’, os. lōs ‘vrij, leeg, zonder, beroofd, onvast, lichtvaardig’, ohd. lōs (nhd. los) ‘vrij, zonder, lichtvaardig’, ofri. lās ‘vrij van, zonder’, oe. lēas ‘vrij van, zonder, vals, bedrieglijk’, on. lauss ‘los, vrij, leeg, onvast, lichtzinnig’, got. laus ‘los, leeg, vergeefs’. — Afl. van verliezen; zie ook: los en lozen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

loos II bnw., mnl. loos “los, vrij van, zonder (met gen.), valsch, bedrieglijk, slim”. = onfr. lôs “falsus, dolosus”, ohd. lôs (nhd. los), os. lôs “vrij, leeg, zonder, beroofd, onvast, lichtvaardig”, ofri. lâs “vrij van, zonder”, ags. lêas “id., valsch, bedrieglijk” (eng. loose uit het Noorsch), on. lauss “los, vrij, leeg, onvast, lichtzinnig”, got. laus “los, leeg, vergeefsch”. Ablautend met verliezen. Zie los II.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

loos 2 v. (losse bocht in een touw), behoort bij loos 3.

loos 4 bijv.(sluw), is hetz. w. als loos 3. De bet. van sluw ontwikkelde zich in 't Ndl. en 't Ags. uit die van vrij in ongunstige zin, dus bandeloos, lichtvaardig, enz.

loos 3 bijv.(vrij, ledig), Mnl. id., Onfra. en Os. lôs + Ohd. lôs (Mhd. en Nhd. id.), Ags. léas (Eng. -less), Ofri. lás, On. lauss (Zw. lös en De. løs), Go. laus: vertoont den st. graad van den wortel van verliezen, namelijk wrt. leus = ontbinden.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

loos (er is iets --) (Duits es ist etwas los)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Loos (ledig) van den Germ. wt. lus = los, vrij zijn, verwant met verliezen (z. d. w.); een looze noot, waarvan de pit los gegaan, verloren is, dus: een leege noot. Vgl. ook ’t achtervoegsel loos: ouderloos = de ouders verloren hebbende. Zielloos is dus: de ziel verloren hebbende, terwijl onbezield onderstelt, dat er nooit een ziel geweest is.

Loos, in de bet. van sluw, ziet op het los(bandig), vrij zijn, waaruit verder het begrip van bedriegelijk, sluw ontstond.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

loos ‘leeg’ -> Fries loas ‘niet echt, inhoudsloos’.

Dateringen of neologismen

Nicoline van der Sijs (2015-heden), Jaarwoordenzoeker ‘Een woord uit elk jaar 1800-heden’, zie ook bij Onze Taal

Daar was laatst een meisje loos [liedregel] (1875). In de door musicus Marius A. Brandts Buys (1840-1908) verzamelde Liedjes van en voor Neêrlands volk uit 1875 staan onder meer: ‘Daar was laatst een meisje loos’, ‘Dat gaat naar Den Bosch toe, zoete lieve Gerritje’ en ‘’k Zag twee beren, ’t A, b, boek leren’. (De versie met ‘broodjes smeren’ werd pas opgetekend in 1898).

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

loos* vals, slim 0901-1000 [WPs]

loos* leeg 1599 [kil]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

74. Een loos (valsch) alarm,

eigenlijk een oproep te wapen, zonder dat er gevaar aanwezig is; een oproep te wapen zonder dreigend gevaar, maar met het doel om de troepen te misleiden. In figuurlijke toepassing een opschudding of onrust, waarvoor geen grond aanwezig is. Zie Kiliaen: Loosen alarm, ficta impressio; het Ndl. Wdb. II, 90-93; Antw. Idiot. 155; fri. in falsk alaerm; fr. une fausse alarmeBeter is: une fausse alerte.; hd. ein blinder Lärm; eng. a false alarm.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut