Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

loopplank - (plank die wordt neergelegd om uit een vaartuig op de wal te komen of omgekeerd)

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

loopplank s.nw.
1. Plank wat as verbinding tussen 'n skip en die wal dien. 2. Platform waarop mannekyne loop om modes te vertoon.
In bet. 1 uit Ndl. loopplank (1865). Bet. 2 is 'n leenbetekenis van Eng. catwalk (1970).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

loopplank ‘plank die wordt neergelegd om uit een vaartuig op de wal te komen of omgekeerd’ -> Fries loopplanke, lantgong ‘plank die wordt neergelegd om uit een vaartuig op de wal te komen of omgekeerd’.

Hosted by Meertens Instituut