Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

loon - (vergoeding voor bewezen diensten)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

loon zn. ‘vergoeding voor bewezen diensten’
Onl. in de samenstelling witherlōn ‘wederloon, vergelding’ in theneda hant sina an uuitherloni ‘hij strekte zijn hand uit ter vergelding’ [10e eeuw; W.Ps.], dan als simplex in thu haues minere scafo wole geplégen, ik sal thinen lon géuen ‘je hebt mijn schapen goed gehoed, ik zal je loon geven’ [1151-1200; Reimbibel]; mnl. loon ‘id.’ in dar umbe sal ic u te lone ein teiken geuen ‘daarom zal ik u als beloning een insigne geven’ [1220-40; CG II], loen ‘beloning voor werk of gedrag’ [1240; Bern.].
Os. lōn; ohd. lōn (nhd. Lohn); ofri. lān (nfri. lean); oe. lēan; on. laun (nzw. lön); got. laun; alle ‘vergoeding’, < pgm. *launa-.
Ontwikkeld uit pie. *leh2u-no-, een uitsluitend in het Germaans voorkomende afleiding van de wortel pie. *leh2u- ‘buitmaken, vangen’ (IEW 655) en verwant met: Grieks apolaúein ‘genieten’, Dorisch lāíā ‘buit, winst’; Latijn lucrum ‘winst, voordeel’ (< pie. *lh2u-tlo-); Oudiers lōg, lūag ‘loon, prijs’ (< pie. *loh2u-go-), fo-lud ‘eigendom’ (< pie. *-leh2u-t-). Oudkerkslavisch lovŭ ‘vangst, jacht’, loviti ‘vangen’ (Russisch lov, lovít') wijst op pie. *loŭ- zonder laryngaal en is dus misschien niet verwant.
lonen ww. ‘renderen, voordeel opleveren’. Mnl. lonen ‘belonen’ [1201-25; CG II]; nnl. dat loont zijn moeite niet [1807; WNT], onovergankelijk ‘de moeite waard zijn’ in maar het loont wel! [1984; Van Dale], ‘iets opleveren’ in het moet natuurlijk wel lonen [1984; Van Dale]. Afleiding van loon. De overgankelijke betekenis ‘belonen’ is verouderd en overgegaan op de afleiding → belonen. De vaste verbinding dat loont de moeite (niet) ‘dat is de moeite (niet) waard’ is wrsch. een leenvertaling van Duits es lohnt die (of der) Mühe (nicht) [1768; Grimm]. Hierbij ontstond door verkorting een nieuw onovergankelijk werkwoord lonen (ook Duits lohnen) ‘de moeite waard zijn, voordeel opleveren’ zoals in misdaad loont, preventie loont. ♦ lonend bn. ‘rendabel’. Nnl. lonend ‘rendabel’ in de prijs waarbij invoer, ondanks de hoge rechten, weer lonend zou worden [1913; Volk]. Ontleend aan Hoogduits lohnend ‘id.’ [1864; Grimm goldinhalt].

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

loon* [vergoeding] {1200} verwant met lauwen, louwen [grijpen, vangen], oudsaksisch, oudhoogduits lōn, oudfries lān, oudengels lean, oudnoors, gotisch laun; buiten het germ. latijn lucrum [winst], oudiers lúach [loon], oudkerkslavisch lovŭ [buit].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

loon znw. o., mnl. loon m.o. ‘loon, vergelding, waarde, roem’, os. ohd. lōn (nhd. lohn), ofri. lān, oe. lēan, on. got. laun o. vgl. mnl. (ghe)lauwen ‘grijpen’ (nog vla.). — gr. apolaúo ‘genieten’, ion. lēiē (ληίη), att. leíā (< *lāuiā) ‘buit’, lat. lucrum (< *lu-tlo-m) ‘winst, voordeel’, oiers lōg, lūag ‘loon, prijs’, osl. lovŭ ‘vangst, jacht’, loviti ‘vangen’, van idg. wt. *lāu ‘buitmaken, genieten’ (IEW 655).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

loon o., Mnl. id., Os. lôn + Ohd. id. (Mhd. id., Nhd. lohn), Ags. léan, Ofri. lán, On. laun. Go. id. + Gr. lēís = buit, Lat. lucrum, = winst, Oier. lúach = loon. Osl. lovŭ = buit: Idg. wrt. leu̯ = winnen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

loen (zn.) loon; Aajdnederlands lon <901-1000>.

Thematische woordenboeken

K. van Dalen-Oskam & M. Mooijaart (2005), Nieuw bijbels lexicon: woorden en uitdrukkingen uit de bijbel in het Nederlands van nu, uitgebreid met De Nieuwe Bijbelvertaling, Amsterdam

Loon naar werk krijgen, ontvangen wat men verdient, krijgen waar men recht op heeft.

De uitdrukking loon naar werk krijgen kan beïnvloed zijn door 2 Kronieken 15:7 in de Statenvertaling (1637), 'Daerom weest ghy sterck, ende en laet uwe handen niet verslappen: want daer is loon nae u werck'. Met deze woorden besluit een profeet zijn toespraak tot koning Asa waarin hij hem wil aanzetten tot het optreden tegen afgoderij. De NBV heeft hier: 'Wees dus vastberaden en geef de moed niet op: voor uw inspanningen zult u beloond worden'. De uitdrukking is tegenwoordig zeer bekend, maar vaak wordt er werken in plaats van werk gebruikt.

Zou Crémieux nooit geprobeerd hebben zijn huid te redden door de protectie van Brigadeführer Müller? En als hij dat geprobeerd heeft, wat toch erg voor de hand ligt, zou hij Müller dan niet een kleine beloning in uitzicht hebben gesteld? Of zou Müller zo onnozel geweest zijn geen loon naar werken te bedingen? (W.F. Hermans, Au pair, 1989, p. 256)
Voor de Amerikaan daarentegen stort een wereld in als de mythe van het rechtvaardige loon naar werk niet in vervulling blijkt te gaan. (NRC, mei 1994)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

loon ‘vergoeding’ -> Negerhollands loon ‘betaling, beloning’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

loon* vergoeding 1080 [Rey]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

109. Een arbeider is zijn loon waard.

Deze zegswijze is ontleend aan den Bijbel Luc. X, 7 of Tim. V. 18. Zie Harreb. I, 18 en vgl fr. l'ouvrier est digne de son salaire of à travail fait salaire est dû, toute peine vaut salaire; hd. der Arbeiter ist seines Lohnes wert; eng. the labourer is worthy of his hire; a fair day's wage for a fair day's work.

1430. Loon naar werken,

d.i. loon overeenkomstig het verrichte werk, gewoonlijk fig. Vgl. De Brune, 4: Is het leelick, is het schoon, zulck een werck heeft zulcken loon; Winschooten, 348: In sulke waaters vangt men sulke vissen; dat is, men krijgt loon naa werken; Adagio, 33: Hy cryght loon naer wercken, factis correspondet merces; Halma, 324: Loon naar werken of naar verdiensten ontvangen, recevoir la récompense de ses mérites, ou la salaire de ses actions; Harreb. II, 36; Ndl. Wdb. VIII, 2792.

1672. Ondank is 's werelds loon.

‘Het goede wordt in de wereld veelal met kwaad vergolden’; hd. Undank ist der Welt Lohn; de. utak et Verdens Lon (Wander IV, 1422); zie Tuinman I, 258; 316; II, 174; Joos, 183; Waasch Idiot. 166 a; Harreb. II, 36 b; Villiers, 89; fri. ontank is 't lean fen 'e wrâld, en vgl. de platte uitdr. stank voor dank; fri. stank is wrâlds lean.

313. Boontje komt om zijn loontje,

d.w.z. iemand krijgt zijn verdiende loon, als hij iets misdreven heeft: het kwaad loont zijn meester (Spieghel, 276). De zegswijze is ontleend aan het sprookje van erwtje, boontje, strootje en kooltje vuur, die samen uit wandelen gingen. Ze kwamen voor een wijd water en wisten niet hoe daarover te komen. Strootje ging nu over het water liggen, en erwtje en boontje liepen er overheen. Toen kooltje vuur dit ook zou doen en reeds op het midden was, raakte het strootje in brand en kooltje vuur viel in het water. Boontje begon hierover zoo te lachen, dat het berstte; zoo kreeg het loon naar werken; zie Grimm, Kindermärchen no. 18.A. Wünsche, die Pflanzenfabel in der Weltliteratur, Leipzig 1905, bl. 96 vlgg.; Volkskunde XX, 193-197; A. de Cock, Natuurverklarende sprookjes, Gent 1912, II, bl. 93; J. Bolte und G. Polivka: Anmerkungen zu den Kinder-u. Hausmärchen der Brüder Grimm, Leipzig 1913, p. 135-138. Dit sprookje was in de 17de eeuw bij ons bekend: bij Poirters, Mask. 123 en in de Klucht v. Oene door Jan Vos (Ged. II, 221) komt het voor; de zegswijze is het eerst aangetroffen bij Winschooten, 273, waar ze luidt: het boontje komt om zijn loontje; vgl. ook Rusting, 597: Zo komt boontjen om zyn loon. Ook het omgekeerde loontje komt om zijn boontje wordt aangetroffen, vooral in Zuid-Nederland, doch schijnt van later dagteekening te zijn (vgl. o.a. Slop, 158, 159). In Oostfriesland zegt men, volgens Eckart, 412: Pôntje kriegt sin Lôntje, evenals in Groningen: boontje krigt zien loontje (Molema, 51 b). Het is duidelijk, dat ‘komt om’ hier wil zeggen ‘krijgt’, eene beteekenis die voortvloeit uit die van ‘komt om te halen’, ‘weg te nemen’. Vgl. Hooft, Ged. I, 285: En waer een kerren (kogel) treft, zy komt om lijf oft lidt. Zie Schotel, Oud-Holl. Huisgezin, 455; Ndl. Wdb. III, 448-449; VIII, 2795; Volkskunde XX, 193; Tijdschrift, XIII, 156 en XVIII, 293, waar eene vergeestelijking van dit sprookje is te vindenOver vergeestelijkte liederen zie Knuttel, Het geestelijk lied, bl. 438 vlgg.. Ook in het fri. boantsje komt om syn loantsje.Opmerking verdient de bij Tuinman I, 265 en Harreb. I, 53 a vermelde Zeeuwsche uitdr. Heusje komt op (of om) zyn beusje, d.i. het kwaad oont zijn meester.

1429. Het loon (of het geld) verzoet den arbeid.

Deze spreuk wordt aangetroffen bij Goedthals, 76: Den loon versoet den arbeyt, les deniers font courir les chevaux; Ovl. Lied. en Ged. 332, 486: Wel te lonene maect zochte weerc; De Brune, 484: De loon verziet de pijn en moeyt; Tuinman I, 322: Geld verzoet den arbeid; II, 114: Het loon verzoet den arbeid; Halma, 710: Geld verzoet den arbeid, l'argent adoucit la peine; Sewel, 891; Harreb. I, 18; Ndl. Wdb. II, 582; VIII, 2793; hd. guter Lohn macht die Arbeit leicht; ital. la mercede raddolcisce il travaglio (Wander III, 229); mlat. nil valet ille labor, qnem premia nulla sequuntur (Werner, 54).

Hosted by Meertens Instituut