Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

looien - (dierenhuiden behandelen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

looien ww. ‘leer bereiden uit dierenhuiden’
Mnl. eerst al in de afleiding looyer ‘looier’ als toenaam van Truden Loijers (genitief) [1328; Debrabandere 2003], dan het ww. looyen ‘dierenhuiden behandelen’ [1340; MNW], ook lawen, louwen in alse offet ghelawet ware ‘alsof het gelooid was’ [1370; MNW louwen 2], loyen, loien in gheloit leder [1406; MNW]; vnnl. loyen, loewen ‘looien’ [1599; Kil.].
Afgeleid van het Middelnederlandse zn. loo, lo ‘looi, run’, uit boomschors gewonnen stof met conserverende eigenschappen [1300-50; MNW], dat teruggaat op dezelfde Proto-Indo-Europese wortel met de betekenis ‘afsnijden, losmaken’ als → loof. Er is ook wel verband gelegd met → loog, maar dat gaat terug op een andere wortel.
Nhd. lohen ‘met looi behandelen’; < pgm. *lawjan- ‘met looi behandelen’, afleiding van pgm. *lauwa- ‘losgemaakte boomschors’, waaruit mnd. , lowe, ohd. ‘looi, run’ (nhd. Lohe).
De Middelnederlandse vorm louwen naast looyen is vergelijkbaar met de vorm → gouw 1 naast (het) Gooi, en met het laatste deel van → landouw naast het eerste deel van → ooibos. In het Vroegnieuwnederlands betekent louwen ook ‘straffen, afranselen’; deze betekenis is wrsch. secundair en is te vergelijken met Duits die Haut gerben en Engels ton a person's hide ‘afranselen’, letterlijk ‘de huid looien’. Ook in het Afrikaans betekent looi ‘afranselen’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

looien1* [dierenhuiden behandelen] {lo(o)yen, louwen 1340} van middelnederlands lo(o) [run, eikenschors], middelnederduits, oudhoogduits , van een i.-e. stam met de betekenis ‘losmaken’ van de schors van de eik, waarvan ook verliezen stamt, vgl. louwmaand.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

looien ww., mnl. lôyen, loyen (vooral noord-holl.) uit germ. *laujan, staat naast louwen (naar de vormen die teruggaan op germ. *lawi-, zoals de verl. tijd louwede), is een afl. van mnl. lô ‘run’, mnd. , ohd. o. (nhd. lohe v.). Daar de run gewonnen wordt van afgeschilde eikenschors, is de verbinding met de idg. wt. *leu ‘afsnijden, losmaken’ (IEW 681-2) zeer aannemelijk. Met een s-formans zie: verliezen. — Zie verder: louwmaand.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

looien o.w., Mnl. id., denomin. van Mnl. lo + Ohd. , genit. lôwes (Mhd. id., Nhd. lohe) = run: oorspr. onbek.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

looien ‘dierenhuiden behandelen’ -> Deens løje ‘dierenhuiden behandelen; over de wind: zwakker worden’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

looien* dierenhuiden behandelen 1340 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut