Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

loof - (gebladerte)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

loof zn. ‘gebladerte’
Onl. louf sin ‘zijn gebladerte’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. loef ‘gebladerte’ [1240; Bern.], loue van bomen ‘gebladerte van bomen’ [1287; VMNW], sine louer sijn gheuarewet alse purperijn ‘zijn bladeren zijn gekleurd als purperen stof’ [1287; VMNW].
Herkomst onzeker. Meestal wordt aangenomen dat de bladeren als voer voor dieren werden geplukt en dat de benaming dus verband houdt met een ww. dat ‘plukken, afsnijden’ betekent.
Os. lōf ‘loof’; ohd. loub ‘loof’ (nhd. Laub); ofri. lāf ‘loof, blad’ (nfri. leaf ‘loof; dun metalen plaatje’); oe. lēaf ‘blad’ (ne. leaf); on. lauf ‘loof’ (nzw. löv ‘blad’); got. laufs ‘blad’; < pgm. *lauba- ‘gebladerte, loof’.
Een mogelijke wortel is pie. *leu- ‘afsnijden’ (IEW 681-682), met -p-uitbreiding *leup- (IEW 690-691), waaruit Grieks lépein en olóptein ‘schillen’; Litouws lùpti ‘schillen’ en lãpas ‘blad’; Oudkerkslavisch lupiti ‘afsplijten, schillen’; of met -bh- uitbreiding *leubh- (IEW 690-691), waaruit Latijn liber ‘bast’; Grieks olouphein ‘afscheuren, schillen’; Lets lub ‘dakspaan’; Litouws lubà ‘id.’; Russisch lub ‘schors’.
In het Middelnederlands had loef zowel de enkelvoudige betekenis ‘blad’ als de collectieve betekenis ‘gebladerte’; de meest gebruikelijke meervoudsvorm van loef in de betekenis ‘blad’ was lovre, lover, zie → lover.
loofhuttenfeest zn. ‘joods feest’. Vnnl. loverfeest [1539; WNT loover], het Feest der Loofhutten [1562; WNT loofhut], Loofhuttenfeest [1587; Deux Aes]. Samenstelling van → feest en loofhut ‘kleine hut van loof en takken’, in vnnl. Loofhutte [1573; Thes.], als vertaling van Hebreeuws ḥagh ha-sukkóþ ‘het feest van de (loof)hutten’, ook wel verkort tot sukkōþ, het meervoud van sukkā ‘hut’. Volgens de wet van Mozes dienden de Joden eenmaal per jaar gedurende een zevendaags feest in een dergelijke hut te wonen, ter herinnering aan hun verblijf in de woestijn (Leviticus 23:34).
Lit.: Beekes 1996, par. 3

lover zn. ‘gebladerte’
Mnl. louer ohte gras ‘bladeren of gras’ [1276-1300; CG II].
Oorspr. was lover het meervoud van → loof in de Middelnederlandse enkelvoudige betekenis ‘boomblad’. Omdat de uitgang -er op den duur niet meer herkend werd als meervoudsuitgang, ontstonden nieuwe meervoudsvormen als loveren [1300-25; MNW-R] en lovers [1485; MNW winteren], zoals ook bij andere woorden met een meervoud op -er, bijv.blad, → ei, → lam 1. Bij loveren ‘bladeren’ ontstond een nieuw enkelvoud lover met een collectieve betekenis ‘gebladerte’. Zie voor het enige andere voorbeeld van een nieuw enkelvoud bij een -er-meervoud → spaander; ook hoort men wel korhoender naast → korhoen en het simplex hoender naast → hoen.
lovertje zn. ‘sierblaadje op textiel of boekband’. Nnl. lover ‘versiering in de vorm van een blaadje’ [1626; WNT]; nnl. goude kant met lovertjes [1724; WNT]. Specifieke betekenis van lover. In deze betekenis is het woord een telbaar zn. gebleven. De oorspr. betekenis nog in West-Vlaams geen loverke wind ‘het is bladstil’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

loof1* [gebladerte] {1287} oudsaksisch lōf, oudhoogduits loub (hoogduits Laub), oudfries lāf, oudengels leaf, oudnoors lauf, gotisch laufs; buiten het germ. oudkerkslavisch lubŭ [schors], litouws luobs [idem]. Vermoedelijk betekent loof oorspr. ‘dat wat is afgeplukt om als voer te dienen’.

lover* [gebladerte] {1595} eig. mv. van loof1.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

lof 1 znw. o. ‘gebladerte; loof van groente (bijv. witlof)ʼ, is een nevenvorm van loof en wel uit een grondvorm *luƀa, waarnaast os. lubbi ‘sap, gifʼ, ohd. luppi ‘zalf, gifʼ, oe. lybb ‘gif, geneesmiddelʼ, on. lyf ‘geneesmiddel, tovermiddelʼ, got. lubja-leis ‘gifkundigʼ. — vgl. oiers luib ‘kruidʼ (IEW 690). — Zie ook: lubben.

loof 1 znw. o. mnl. loof o. ‘blad, gebladerteʼ, os. lōf o. ‘loofʼ, ohd. loub m. o. ‘blad, loofʼ (nhd. laub), ofri. lāf o. ‘loofʼ, wfri. leaf ‘blad, dun metalen plaatjeʼ, oe. lēaf ‘bladʼ (ne. leaf), on. lauf o. ‘loofʼ, got. laufs m. ‘bladʼ. — Zie nog: lof 1 en luifel.

Verschillende etymologieën: 1. men kan het verbinden met lit. lùpti, osl. lupiti ‘afsplijten, afschillenʼ (Uhlenbeck PBB 26, 1901, 301), of eerder nog bij de idg. wt. *leubh, vgl. lat. liber (< *lubhros) ‘bast, boekʼ, lit. luba ‘plankʼ, let. luba ‘dakspaanʼ, russ. lub ‘schorsʼ (IEW 690). Maar het is zeer onzeker of daarbij nog verder behoren (zoals FT 683 aannemen) de germ. wt. *lub ‘los afhangenʼ. — 2. bij oi. ropayati ‘doen groeienʼ, ropa- het ‘plantenʼ (von Friesen, Med. gem. 72). — 3. J. Trier Holz 1952, 126-131 gaat uit van een idg. grondvorm *lou-bh-o, die hij verbindt met gr. oloúphein ‘plukken, uitrukken’; dan wijst het woord op het afplukken van de bladeren voor het wintervoer van het vee. — Uit mnl. mv. lôver is in het nnl. het enk. lover ‘blad, sierblaadje’ ontstaan.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

loof znw. o., mnl. loof o. “blad, gebladerte”. Uit het mnl. mv. lôver is het nnl. o. enk. lover ontstaan. = ohd. loub m. o. “blad, loof” (nhd. laub o.), os. lôf o. “loof”, ofri. lâf o. “id.”, ags. lêaf o. (eng. leaf) “blad”, on. lauf o. “loof”, got. laufs (b) m. “blad”, lauf accus., wsch. o. “phúlla”. Van de idg. basis lup- (of van lubh-? Zie hieronder), waarvan ook lit. lupù, lùpti, russ. lupľú, lupít’ “van de bast ontdoen, schillen”, čech. lupen “blad”. Van een basis van dgl. bet. kunnen woorden zoowel voor “blad” als “bast” komen: vgl. lit. lãpas “blad”, gr. lépos “schors, schil”, lépō “ik schil” (vgl. lap); daarom mogen wij met loof nog combineeren: mhd. louft m. “bast, huls”, nhd. dial. lauft, läufel “huls”; wellicht ook on. lopt o. “plafond, zolder, bovenkamer”, mnd. lucht v. “zolder” en de bij luifel genoemde woorden. Naast idg. lup- staat lub- of lubh-, waarvan russ. lub “bast”, po. łub “boombast, wagenbedekking”, lit. lúobas “boombast”, lùbos “houten plafond” en lat. liber “bast”. [Hierbij is nog ier. luchtar “boot” gebracht.] Deze woorden bevestigen door hun bet. de onderlinge verwantschap van de bovengenoemde germ. woordgroepen. Got. lubja- enz. (zie leb I) zijn wsch. niet met loof verwant. De vorm lof, nog niet bij Kil., zal wel geen oude ablautvorm van loof, maar hieruit onder bepaalde condities (welke?) klankwettig ontstaan wezen; vgl. dof. Zie nog lubben.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

loof. Zie nog lomp I Suppl. — Wellicht mag men bij deze zelfde idg. wortel *lup- (‘afschillen, afbreken, beschadigen’) ook brengen het bnw. noordholl. loof ‘afgemat, uitgeput’, fri. (Molkwerum) leaf ‘vermoeid’, mnl. ghelôve, gewoner ghelôvich ‘uitgeput; overwonnen; lafhartig’ (ook wel minder wsch. bij geloven gebracht).
Verwant zijn dan verder buiten het Germ. gr. lū́pē ‘krenking, verdriet’, lūprós ‘armzalig, ellendig’, oi. lumpáti ‘hij breekt, beschadigt’. Vgl. nog bij linker Suppl.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

lof 1 o. (bladeren), : z. loof.

loof 1 o. (gebladerte), Mnl. id., Os. lôf + Ohd. loub (Mhd. id., Nhd. laub), Ags. léaf (Eng. id.), Ofri. láf, On. lauf (Zw. löf, De. løv), Go. laufs + Ru. lupiť = schillen, Lit. lãpas = blad, Gr. lépos = schors. De bijvorm lof is verkort uit loof gelijk dof uit doof (z. leproos).

loover o., uit Mnl. lover, meerv. van loof, gelijk spaander van spaan.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetensckap en Kuns

lof II: blare v. bep. plante; (vroeg 16e eeu) Ndl. lof, wv. v. loof (Mnl. loof), Hd. laub, Eng. leaf, herk. hoërop onseker – uit Mnl. loof, mv. lover, het Nnl. lover, Afr. lower as koll. ontst.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Loover, eig. meerv. van loof, zooals spaander van spaan.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

loof* gebladerte 1287 [CG NatBl]

lover* gebladerte 1573 [Plantijn]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut