Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

lood - (scheikundig element, metaal)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

lood zn. ‘metaal, scheikundig element (Pb)’
Mnl. eerst in de gelatiniseerde vorm lodus ‘lood (het gewicht)’ in .ii. sol. pro lodo ‘2 schellingen per lood’ [1210; VMNW], dan loet ‘lood, zeker metaal’ [1240; Bern.], in lode ‘in lood’ [1287; VMNW].
Meestal wordt aangenomen, dat lood een vroege ontlening uit het Keltisch is, zie bijv. Oudiers lúaidhe ‘lood’. Lood werd op het continent in Duitsland gewonnen, waar ook Kelten woonden. Zowel het Keltisch als het Germaans kan het woord eventueel uit een substraattaal hebben overgenomen.
Mnd. lōt; mhd. lōt ‘lood’ (nhd. Lot ‘gewicht, dieplood’); oe. lead ‘lood’ (ne. lead); ofri. lād ‘lood, gewicht’ (nfri. lead ‘lood’); < pgm. *lauda- ‘lood’. Daarnaast de afleiding met -īn-: pgm. *laudīna- ‘loden’, waaruit nnl. loden ‘van lood’.
Oudiers lúaidhe zou wijzen op Proto-Keltisch *loudiā- < *ploudiā- ‘stromend (metaal)’; < pie. *plou-d-, afleiding van pie. *pleu- ‘stromen’ (IEW 837).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

lood [chemisch element] {loot, lood 1201-1250} middelnederduits, middelhoogduits lōt, oudfries lād, oudengels lead; misschien aan het keltisch ontleend, vgl. oudiers luaide; het litouws liudė is vermoedelijk een ontlening aan het germ.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

lood znw. o., mnl. loot, mnd. mhd. lōt ‘loodʼ, ofri. lād ‘gewichtʼ, oe. lead (ne. lead) ‘loodʼ. — Alleen daarnaast iers luaide, waarvan de herkomst onbekend is. Of het germ. woord aan het kelt. ontleend is, valt niet te bewijzen. Lood wordt in Duitsland gevonden en de Kelten kunnen het dus reeds gewonnen hebben; misschien stamt de naam van een substraatvolk.

Het nhd. blei verbindt men met de stam *blīwa ‘blauwʼ, vgl. lit. blyvas ‘lilaʼ. Dit zal dus wel een germ. woord zijn. Men heeft ook gedacht aan verband met gr. mólibos, mólubdos, dat zeker uit een voor-idg. taal is overgenomen. Lat. plumbum is onverklaard. — In de bet. ‘peilloodʼ reeds in de 15de eeuw overgenomen in nhd. lōt (Kluge, Seemannssprache 549).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

lood (metaal) znw. o., mnl. loot (d) o. = mhd. lôt (nhd. lot) o., mnd. lôt o., ofri. (alleen als gewichtsnaam) lâd, ags. lêad (eng. lead) o. “lood”. Verwant met ier. luaide “lood”; volgens sommigen is ’t germ. woord uit ’t Kelt. ontleend; vgl. ijzer. Oi. lohá- “roodachtig”, als znw. “roodachtig metaal, koper, ijzer” heeft veeleer idg. r: dan hoort ’t bij rood. — In andere bett., ook als gewichtnaam, is lood hetzelfde woord, met overdr., op “looden voorwerp” teruggaande bett. Dgl. bett. komen ook in andere continentaal-wgerm. en door ontl. ook in skand. talen voor.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

lood. Lit. liū́dė, liūdė͂ ‘peillood’, oerverwant geacht door Scheftelowitz KZ. 53, 628, zal eerder aan ʼt Germ. ontleend zijn. Het germ. woord toch wel uit het Kelt.: zo b.v. Karsten Germanen 201.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

lood o., Mnl. loot + Mhd. lôt (Nhd. lot), Ags. léad (Eng. id.), Ofri. lád + Oier. lúaide, Lit. liũdẽ. Het Skand. (IJsl. lodh, Zw. en De. lod) ontleende het woord aan 't Westgerm. Met de bet. gewicht is 't hetz. w.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

loed (zn.) lood; Vreugmiddelnederlands loet <1240>.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

lood I: metaal; Ndl. lood (Mnl. loot), Hd. lot, Eng. lead, herk. hoërop onseker – in Afr. ss. potloot naas potlood; een v. d. “elemente” (Simbool Pb).

lood II [+]: (dial. v.) moeilik, swaar (wsk. uit loodswaar), by Scho (TWK 14, 4, 191) m. vb. uit 1880 en verwysing na Mans (KHI s.v. lood) in 1884.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

lood (Keltisch)

P.H. van Laer (1949), Vreemde woorden in de natuurkunde, Groningen/Batavia.

Lood (Pb, 82). → Plumbum.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

lood ‘chemisch element; zeker gewicht; schietlood, peillood’ -> Deens lood ‘Nederlandse gewichteenheid van 10 gram’; Deens lod ‘gewicht (in uurwerk, weegschaal), oude Deense gewichtseenheid van 1/32 pond’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors lodd ‘gewicht, schietlood, peillood’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds lod ‘gewicht (in uurwerk, weegschaal), peillood’ (uit Nederlands of Nederduits); Fins luoti ‘gewicht; kogel; peillood’ <via Zweeds>; Ests lood ‘peillood’ (uit Nederlands of Nederduits); Frans dialect † lot ‘inhoudsmaat voor vloeistoffen’; Frans dialect lode ‘(fig.) ongevoelig, slap (oorspr.: zoals lood)’; Kroatisch lot ‘gewichtseenheid’ (uit Nederlands of Duits); Macedonisch lot ‘peillood’ (uit Nederlands of Duits); Servisch lot ‘gewichtseenheid; peillood’ (uit Nederlands of Duits); Sloveens lot ‘gewichtseenheid’ (uit Nederlands of Duits); Russisch lót ‘chemisch element; gewicht; peillood’; Bulgaars lot ‘peillood’; Oekraïens lót ‘chemisch element; gewicht’ <via Russisch>; Lets lote ‘peillood, toestel om de diepte van het water te peilen, ook wel om de gesteldheid van de bodem te onderzoeken’ (uit Nederlands of Duits); Litouws lotas ‘peillood, toestel om de diepte van het water te peilen, ook wel om de gesteldheid van de bodem te onderzoeken’ (uit Nederlands of Duits); Noord-Sotho lota ‘chemisch element’ <via Afrikaans>; Xhosa lothe ‘chemisch element’ <via Afrikaans>; Zuid-Sotho loto ‘chemisch element’ <via Afrikaans>; Ambons-Maleis lod ‘chemisch element’; Gimán lot ‘gewichtje (lood, steen, kromme spijker) aan een draad gebruikt bij het vissen’; Javaans elot ‘paslood, loden gewichtje aan een draad’; Creools-Portugees (Ceylon) lodo ‘peillood, Avram’; Negerhollands loodt, lōt ‘chemisch element’; Sranantongo loto ‘chemisch element; hagel (uit een geweer)’; Saramakkaans lotò ‘chemisch element’; Sarnami loto ‘chemisch element’; Surinaams-Javaans loto ‘schietlood’ <via Sranantongo>.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

lood chemisch element 1240 [Bern.] <Keltisch

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2697. (Aanv.) Onder het loodje leggen,

d.i. ter zijde leggen; eig. gezegd van stukken die onder een lood, een presse-papier, op 't regeeringsbureau ter bewaring worden gelegd. De uitdr. is in Ned.-Indië gebruikelijk. Onder 't loodje blijven, voorloopig niet behandeld worden, niet plaats vinden. Vgl. Kartini, Van duisternis tot licht, bl. 324: Lang hebben zusje en ik over je vaders woorden gesproken en nagedacht en de slotsom is, dat het gaan naar Holland voorloopig onder het loodje blijft. Zie ook Ndl. Wdb. VIII, 2707.

1405. Uit de lijken geslagen zijn,

d.w.z. bedremmeld, geheel verslagen zijn, uit de ‘naven’ zijn. De uitdr. is ontleend aan het zeewezen. Onder de lijken verstaat men het touw, dat als omlijsting, als rand om de zeilen van een schip of een molen vastgenaaid wordt en dat dient om het uitscheuren te voorkomen. In letterlijken zin is dus uit de lijken geslagen, uit den rand gescheurd, van zijne plaats gerukt, dat overdrachtelijk kon beteekenen onklaar zijn (Winschooten, 139), ontzet, in de war zijn. Vgl. ook Colm, Malle Tots boertige vryery, anno 1617, 13: Gutt dat's verpeutert werk, dits hiel nou uyt 'e lyck, hier 's weer gien samen knoopen. Zie verder Gew. Weeuw. III, 7: Ze is gansch uyt de lyken gearbeid; De Brune, Bank. 146: Uyt de lijck geslagen; I, 264: Uyt de lyck geworpen; Sewel, 468: Uit de lyken geslagen, blown out of the boltrope; quashed, routed; Tuinman I, 151: Hy is uit de lyk geslagen, dat is, hy is geheel in de war, en in onmagt gebragt; Harrebomée II, 29; 32: Hij valt uit de lijken; Het Volk, 18 Sept. 1915, p. 1, k. 3: Zij wisten eenmaal beter, maar zijn sinds geruimen tijd dermate uit de lijken geslagen, dat zij met elken wind mee strijden. Synoniem zijn de Zuidnederlandsche uitdrukkingen uit de zwee zijn, uit zijn lood zijn, van zijn berdeken zijn, uit den haak zijn, verbabbereerd (ons verbauwereerd), beteuterd zijn (eng. off the hooks, off the hinges; fr. hors des gonds (van woede)), ontknierd, ontzet, verstoord, verward; vgl. ook nog de uitdr. zijn gat uit de haken loopen, waarvoor men in het stadsfriesch zegt de hakken uut de liken loopen; zie Taalgids III, 285 en Ndl. Wdb. V, 1356; 1357; VIII, 2298; in het Friesch: dat rint út 'e liken, dat loopt verkeerd; van iemand die zich overwerkt heeft, die overspannen is, zegt men eveneens dat hij út 'e liken is (Fri. Wdb. II, 221).

1424. In het lood staan,

d.w.z. recht staan, in den haak zijn (no. 743). Met lood wordt hier bedoeld het paslood, schietlood, dat de metselaar of de timmerman gebruikt, om te zien of iets recht (vgl. loodrecht) staat en niet helt. Vandaar in het mnl. de uitdr. te lode staen, met het paslood worden onderzocht; vgl. Halma, 323: Wel in 't lood staan, regt naar 't paslood staan (zie Huygens, Hofwijck, vs. 2388; Ndl. Wdb. VIII, 2706) en bij Harreb. II, 35 b: Alles komt weer in 't lood, de zaak is in orde; Gallée, 26: 't Gezichte gôd in 't lood hebben, een regelmatig gezicht hebben. Hierbij behoort ook de uitdr. uit het lood hangen, scheef hangen; ook van iemand die scheefhangend op een stoel zit; bij P.C. Hooft, Ged. I, 185: uit het lood wijkenZie ook De Brune in Ned. Klass. III, 5: Al waret noch soo krom gheweken uyt sijn loot. Hiernaast uit het lood spatten.; mnl. buten den lode gaen, in de war gaan (Mnl. Wdb. IV, 785); De Bo, 646; Waasch Idiot. 809 en Rutten, 134 citeeren: in zijn lood zijn, in zijn behoorlijken stand zijn; uit zijn lood zijn, verlegen zijn, onthutst zijn; uit (of van) zijn center zijn (Schuerm. 87); in zijn lood komen, op zijn pas komen; zie ook Schuermans, 348 b; Teirl. II, 219; Antw. Idiot. 774 en Joos, 85: uit zijn lood geslagen (of geslegen) zijn, onthutst zijn; Jord. 255: De luidruchtigste en overmoedigste meid sloeg hij met altijd scherper en kwetsender scherts uit 't lood; Nkr. IX, 4 Dec. p. 8: Nou ja! nou ja! raasde Piet, een weinig uit het lood geslagen; Handelsblad, 21 Nov. 1914, p. 1 k. 5 (avondbl.): Misschien ook hoopte de Duitsche overheid door die bijzonder hooge straf de inwoners van Brussel zóózeer uit hun lood te slaan, dat een nieuw vergrijp van wie ook voor de toekomst uitgesloten was; synoniem: uit zijn vierkant zijn (Waasch Idiot. 712); uit de treklijn zijn (Peet, 132). Zie no. 1405 en vgl. fr. sortir d'aplomb, perdre son aplomb, van zijn stuk raken.In de drukkerij verstaat men onder in het lood staan gezet zijn. Zie Noord en Zuid XXVIII, 115; Antw. Idiot. 1878.

1425. Dat is (oud) lood om oud ijzer,

d.w.z. dat is volmaakt hetzelfde; die ruil levert geen voor- of nadeel op; eig. de eene waar wordt verruild tegen de andere van ongeveer dezelfde waarde.In het Tijdschrift XVIII, bl. 82 heeft Mr. J.A. Sillem uit de Cameraars-rekeningen van Deventer en de Graaflijkheidsrekeningen van Holland trachten aan te toonen, dat lood en ruw ijzer in vroeger tijd in prijs niet veel verschilden en dat het laatste slechts iets duurder was dan het eerste. Men bedenke evenwel, dat deze overeenstemming in prijs van twee artikelen, die beide van elders moesten komen, niet anders dan tijdelijk en locaal kan zijn geweest, een constante waarde was in dien tijd niet denkbaar. Zie Sart. II, 10, 79: loot aen oudt yser; sulcke groet, sulck antwoort, die het opvat in den zin van: met gelijke munt betalen, op dezelfde wijze behandelen, zooals ook blijkt uit III, 5, 97: Loot om oudt yser, ubi quis similia similibus pensat. Tuinman I, 122, 197 en 358 stelt deze uitdr. gelijk aan lap om leêr. Bij Halma, 323 wordt duidelijk de tegenwoordige bet. er aan gehecht; hij verklaart dat is lood om oud ijzer door dat is slegt voor slegt, of die ruiling geeft geen voordeel, c'est pain pour fouace, ce troc n'est pas avantageux; C. Wildsch. VI, 62: ik ruil geen oud lood om oud ijzer; I, 312: t' is oud ijzer om oud lood; Harreb. I, 360. Vgl. Smetius, 188: het is een panneken om een potteken, - een knechtjen om een meysjen (vgl. Joos, 78: 't een is pot en 't ander panne); het 17de-eeuwsche gorre om guil (vgl. hd. Gurre wie Gaul); t' is vuile boter om gore kaas (Hist. d. Queesters, 310Zie Ndl. Wdb. VII, 728.); t' is vuil vet en vuile boterN. Taalgids, XI, 306.; vlaai om struif; het Vlaamsche dat is zeven om zeven (Joos, 84); de eene is puit en de andere padde (Waasch Idiot. 539); het Zaansche: 't is van den korf in den lapzak (Boekenoogen, 558 b); spek om spinde (Harreb. II, 285); pissebed weg, kakkebed weerom (De Vries, 88; Ndl. Wdb. VII, 897; vgl. H.v.Z. 64: Je zal wel niet slechter dan andere zijn - pissebed of kakkebed); de eene is pot en de andere is ketel (zie Antw. Idiot. 993; 1379; Teirl. 201); Sewel, 735: sop en geweekt brood; het Friesche gúl (gyl of goes) oan (om) goarre, treant oan toarre of lape om loarre, merrie om hengst, hommel om tor; súpe wirdt boarch for waei, karnemelk stelt zich borg voor wei; hui is karnemelks borg (C. Wildsch. II, 153; Gunnink, 177); waai borg f'r karnemelk (in Menschenw. 33); koek om vijgen (Harrebomée I, 426 a); oostfri. wei is karnmelks börge (Dirksen II, 80); enz.; fr. c'est bonnet blanc et blanc bonnet; hd. Aepfel um Birnen; das ist Jacke wie Hose, Mus wie Maus; eng. it is six of one and half a dozen of the other; in Zuid-Nederland: den eenen is vuil boter en den anderen is vuile visch of vuil vet.

1426. Met lood in de schoenen (of met looden schoenen) gaan,

d.w.z. langzaam en schoorvoetend gaan, t.w. uit behoedzaamheid om geen mispas te doen, of uit vrees; en in figuurlijke toepassing: behoedzaam of vreesachtig te werk gaan (Ndl. Wdb. IV, 27; VIII, 2730); ook zeide men: met looden voeten gaan; vgl. V.d. Venne, 25: Verresiende luyden gaen met loode voeten (voorzichtig). Zie ook Hooft, Ned. Hist. 494: Loode voeten had hy, om hier over te treeden; bl. 58: Sy begosten den Kaizarlyken Schout, met loode schoenen (voorzichtig) na te gaan (vgl. Bank. I, 375); zie verder C. Wildsch. I, 25; Sewel, 458: Met loode schoenen aankomen, to come slowly; Iemand met loode schoenen nagaan, to watch for an opportunity to be revenged of one; Harreb. II, 35: Het is of hij lood in zijn schoen heeft; Nkr. III, 19 Sept. p. 4: Zoo keerde hij terug bedroefd, met looden schoenen; VIII, 28 Maart p. 7: Mistroostig met lood in d'r schoenen zakte ze af. In het Westvl. zegt men: met een lang gat (of lange hielen) ergens naar toe gaan (De Bo, 341; 428 en Joos, 110). Vgl. ook schudt dat lood uit uw schoenen (Joos, 88); met looden beenen gaan of met een lang gat ievers naar toe gaan, d.i. mismoedig zijn (Joos, 95); lood in zijn schoenen hebben (Joos, 110). Het tegenovergestelde wordt uitgedrukt door: zijn lichte schoenen aandoen (of aantrekken), zich spoeden; Teirl. II, 211.

1427. Hij moest het loodje leggen,

d.w.z. hij moest het gelag, de gebroken schervenHet Volk, 5 Mei 1914, p. 1 k. 2; fr. payer les pots cassés. betalen; hij kreeg de schuld; hij moest er voor boeten; hij trok aan 't kortste eind. Onder het loodje is oorspr. te verstaan een looden plaatje, ten bewijze dat men bijv. bij een postwagen de vracht heeft betaald; ook een bewijs van betaling in den schouwburg, ofschoon de bewijzen later van papier zijn gemaakt. Vgl. no. 639 en Winschooten, 143: Hij moet het loodje schietenVgl. ons geldschieter en iets ver- of (voor-)schieten., hij moet in het verschot sijn: hij moet voor een ander betaalen; bl. 208: Het komt op zijn kap aan, hij moet het loodje leggen; Haagsche Reize, 74; Sewel, 459: Hy moet het loodtje schieten (voor de andere betaalen), he must pay for the whole company; Halma, 323: Hij moet het loodje schieten, hij moet in 't verschot zijn, il faut qu'il débourse ou avance l'argent; Harrebomée II, 35; Ndl. Wdb. VIII, 2711; Sjof. 80; 97; Jord. 422; Slop. 181: Daar naast (in de gevangenis) lag er een, die voor een heele ploeg het loodje legde, een rechte stommerik; Nkr. II, 13 Sept. p. 6; VII, 18 Oct. p. 4; Dievenp. 112; Speenhoff VII, 77: De polder en 't heele zoodje, die leit 't loodje in Rotterdam; Het Volk, 5 Januari 1914, p. 7 k. 4; 14 Febr. 1914, p. 1 k. 1; 26 Febr. p. 7 k. 1; De Arbeid, 21 Jan. 1914, p. 3 k. 4; enz.

1428. De laatste loodjes wegen het zwaarst,

d.w.z. het laatste gedeelte van een langdurigen, zwaren arbeid valt dikwijls het moeilijkst, het zwaarst; van een laatste inspanning hangt dikwijls het meeste af; de verre weg maakt den moeden man (Waasch Idiot. 689 b); mnl. lichte bordene es verre swaer, ja die se verre draghen moet; Goedthals, 75: lichte burden swaren op langhe wegen; ook in het Oostfri.: de leste lôdjes wegen swâr; in het fri.: de leste leadtsjes weage swierst. De zegswijze kan ontleend zijn aan het wegen, waarbij de laatste kleine gewichtjes, de laatste loodjes den doorslag geven; Molema, 241 b: de leste loodjes wegen; Harreb. II, 35 b; Villiers, 74; eng. the last mile is the longest one.

2482. Vrienden in den nood, honderd in een lood

d.w.z. in den nood zijn de vrienden meestal van weinig gewicht, van weinig waarde; goede vrienden zijn dan zeldzaam. Vgl. Ovidius, Tristia I, 9, 5: Donec eris felix, multos numerabis amicos, tempora si fuerint nubila, solus eris; Scaecspel, 74: Tempore felici multi numerantur amici, dum fortuna perit nullus amicus erit. Het spreekwoord komt voor bij Cats I, 507: Vrienden in der noot vier-en-twintigh in een loot; De Brune, 36: Goede vrienden in de noot, vierendertigh in een loot; 38: Vrienden in der vrienden nood, vier en twintigh in een loot; Tuinman II, 216; Harrebomée II, 35; Ndl. Wdb. VIII, 2712; Wander I, 1184: Freunde in der Noth gehen fünff und zwentzig (fünffzig) auf ein loth; ital. borsa serrata, amico non si trova. Voor Zuid-Nederland vgl. Antw. Idiot. 1406: vrinden in den nood, vijf en zestig in één lood. Dit laatste woord biedt zich van zelf aan door het rijm.

2696. (Aanv.) Looden pijpen, samen deelen

wordt gebezigd als iemand iets vindt of een buitenkansje heeft. Hij, die er getuige van is, roept dan deze woorden om te kennen te geven, dat hij er zijn aandeel in wil hebben. De zegswijze is een dievenuitdrukking. Vgl. Amsterdammer, 30 Mei 1925, p. 11: De kapers hadden er ('t oude pesthuis) vrij spel. Het was hoofdzakelijk het zware, in ontzaglijke hoeveelheden aanwezige lood, dat de nokken, dakvensters en goten van dit groote bouwwerk bedekte, hetwelk het ontgelden moest. Bij karvrachten werd het er vandaan gehaald. Lood stond bij deze heeren steeds in hoog aanzien. Vandaar het spreekwoord: Looie pijpen, samen deelen.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal