Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

logeren - (als gast tijdelijk zijn intrek nemen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

logeren ww. ‘als gast tijdelijk zijn intrek nemen’
Mnl. logieren ‘verblijven, overnachten, een tijdelijk verblijf oprichten’ [1285; CG II], ook in lach ande oest side ghelogiert ‘had zijn kamp opgeslagen aan de oostzijde’ [1285; CG II], logeren [1430-50; MNW-R], ‘tijdelijk te gast zijn’ in logeren in die herberghen [1462; MNW]; vnnl. ook overgankelijk in te logeren oft herbergen eenighe persoonen ‘enkele personen te herbergen’ [1578; Stall.].
Ontleend aan Frans loger ‘een kamp oprichten’ [ca. 1138; TLF], later ook ‘tijdelijk verblijven’ [1280; Rey], afleiding van loge in de Oudfranse betekenis ‘eenvoudig onderkomen ter overnachting’, zie → loods 2 en → loge.
De uitspraak van de -g- in dit woord was in het Oudfrans ongeveer /dž/ (vandaar Engels lodge ‘onderdak geven’) en in het Picardisch /tš/, vandaar aanvankelijk Middelnederlandse spellingvarianten als lodgieren, loitssiren, loodsieren. In tegenstelling tot het verwante zn. mnl. loodse ‘eenvoudig bouwsel’, dat de uitspraak /ts/ en de spelling /ds/ behield, werd logieren, later logeren, wrsch. blijvend geassocieerd met het Franse werkwoord loger en werd ook de latere Franse uitspraak /ž/ overgenomen.
Aanvankelijk had mnl. logieren betrekking op het verblijven in een tijdelijk opgerichte, en dus eenvoudige verblijfplaats, een loodse (zie → loods 2). Deze nuance maakte al in de 15e eeuw plaats voor het huidige idee dat bij logeren slechts het verblijf tijdelijk is, en niet zozeer de daartoe ingerichte plaats. Het woord kwam ook voor in de constructie gelogeerd zijn, liggen enz. ‘logeren’, als leenvertaling van Frans être logé ‘id.’. Deze constructie is tegenwoordig verouderd, maar bestaat nog in de uitdrukking in de aap gelogeerd zijn, die misschien teruggaat op de naam van een bepaalde herberg.
logé zn. ‘logerende gast’. Nnl. logé [1840; WNT toer]. Afleiding van logeren naar het model van Frans logé dat zelf uitsluitend als verl.deelw. voorkomt in être logé ‘gelogeerd zijn, onderdak hebben’ [1487; TLF]. Het woord werd aanvankelijk alleen gebruikt m.b.t. gasten van privépersonen. Algemenere en oudere synoniemen, afhankelijk van de context, zijn gast, logeergast, reiziger, slaper. ♦ logies zn. ‘tijdelijk verblijf’. Mnl. om zijn logijts daer te mackene ‘om daar zijn legerkamp op te richten’ [1370-87; MNW], logys omme tvolc ‘tijdelijk verblijf voor het volk’ [1468-97; MNW]; vnnl. logies [1659; WNT]. Ontleend aan Oudfrans logis ‘tijdelijk legerkamp’ [ca. 1355; TLF] (Nieuwfrans ‘onderdak, tijdelijk verblijf’), afleiding van het werkwoord loger. Zie ook → logistiek.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

logeren [als gast zijn intrek nemen] {loodseren, loyeren, logeren 1285} < frans loger [idem], van loge (vgl. loge, loods2).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

logeren ww., mnl. logêren, loodsêren ‘verblijf houden, overnachtenʼ < fra. loger.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

logeeren ww. Ontl. — met bet.-beperking — uit fr. loger, dat ook mnl. al als loodsêren, logêren “verblijf houden, (in een tent of kluis) overnachten” was overgenomen. Ook elders ontleend.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

loseer ww.
1. Teen betaling huisvesting in 'n losieshuis kry of privaat by mense tuisgaan. 2. Teen betaling huisves.
Uit Ndl. logeeren (Mnl. loodseren, logeren). Eerste optekening in Afr. in bet. 1 by Mansvelt (1884).
Ndl. logeeren uit Fr. loger.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetensckap en Kuns

loseer: tuis gaan (teen betaling); Ndl. loge(e)ren (Mnl. loodseren/logeren, “verblyf hou”, uit Fr. loger, “woon”, afl. v. loge, “huisie”) “tuis gaan” (tans veral as kuiergas); hierby Afr. losies, “verblyf en onderhoud (teen betaling)”, wat in Ndl. ontbreek en weergegee word deur ouer bet. v. logement (tans meest. pension).

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

logeren (Frans loger)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

logeren ‘als gast zijn intrek nemen’ -> Ambons-Maleis losyèr ‘als gast zijn intrek nemen’; Kupang-Maleis losyèr ‘als gast zijn intrek nemen’; Menadonees losyèr ‘als gast zijn intrek nemen’; Ternataans-Maleis losyèr ‘als gast zijn intrek nemen’; Negerhollands loscheer ‘als gast zijn intrek nemen’; Papiaments lozjer (ouder: losjer) ‘als gast zijn intrek nemen; (verouderd) huisvesten’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

logeren als gast zijn intrek nemen 1285 [CG Rijmb.] <Frans

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

32. In den aap gelogeerd zijn.

Het schijnt, dat deze spreekwijze van zeer jongen datum is. Tot nu toe is zij niet in vroegere geschriften aangetroffen; ook de woordenboeken van Sewel, Halma en Weiland vermelden haar niet. Zie verder Ndl. Wdb. VIII, 2612; Onderm. 24: Geachte familie en vrinden, ik ben huwelijkslang in den aap gelogeerd; Nkr. II, 20 Dec. p. 2: Dan bennen we allemaal in den aap gelogeerd, wat 'n beroerd hotel is. Harrebomée geeft ze op, dl. III, LIV met de verklaring ‘hem treft een slechte ontvangst’.Ook in België is zij bekend. De Bo citeert, bl. 12: In den Aap gelogeerd zijn, voor den aap gehouden worden, een voorwerp zijn van schimp; Rutten, 5: in den aap gelogeerd zijn, een slecht gasthuis hebben; fig. met iets of met iem. in verlegenheid zijn; Antw. Idiot. 114; Waasch Idiot. 45 b. Een variant hiervan is de Vlaamsche uitdr. in den hond (= duivel?) gelogeerd zijn (Joos, 107; Waasch Idiot. 293 b) en in de kwaai negen gelogeerd zijn, welke laatste zegswijze aan het ganzenspel is ontleend (Schuermans, 404).

Aangaande den oorsprong dezer uitdr. is niet veel bekend; wel deelt Ter Gouw in zijne Uithangteekens I, bl. 180 eene anecdote mede, waaraan de spreekwijze haar ontstaan kan hebben te danken, doch deze zal wel verzonnen zijn, toen de uitdr. reeds bestond. Dat uithangborden dienden om aan te duiden, welk bedrijf in een huis werd uitgeoefend, is bekend. Zoo hing bij den metselaar een troffel, bij den schoenmaker een leest, bij de hoedemakers een hoed, bij de kleermakers een schaar uit. De kleermakers hingen wel eens een vergulde schaar uit; vandaar, volgens Ter Gouw, onze uitdrukking: daar hangt de gouden schaar uit, voor: men moet er duur betalen, dus men werd er ‘geschoren’Ter Gouw, Uithangteekens I, 112.; of ook volgens Tuinman II, 47: daar hangt de scheer uit, gezegd van een dure herberg, of winkel; vgl. ook Halma (i.v. étrille): in de schaar thuis liggen, in een zeer dure herberg logeeren. Op dezelfde wijze, stel ik mij voor, is onze uitdr. in den aap gelogeerd zijn ontstaan. Dat de aap op uithangborden voorkwam, is zekerUithangt. I, 118; II, 324.. Hing hij nu in een herberg uit, dan was men ‘in den Aap gelogeerd’, doch daar de aap ook bekend staat als een dier, dat iemand onverwacht een poets speelt, bezigde men die uitdr. voor herbergen, waar men nu niet direct voor zijn genoegen was, en beet genomen werd; later in algemeener zin om het verkeeren in een onaangenamen toestand aan te duiden.Eene andere verklaring vindt men in Noord en Zuid, XXIV, 27; Tijdschrift XXI, 131 en vgl. Mnl. Wdb. VII, 423. Zie ook Ons Volksleven III, 25; De Cock1, 235; 't Daghet XIII, 48; en vgl. onze uitdr. In 't gefopte, verneukte of vernoken haasje gelogeerd zijn, gefopt zijn; het hd. Hotel zum schwarzen Engel, eene benaming voor den ‘Carzer’ bij de cadetten; fr. loger à l'enseigne de la lune, à la belle étoile, passer la nuit en plein air; ils sont tous deux logés à la même enseigne, ils sont dans la même situation fâcheuse (Hatzfeld, 910).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut