Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

lof - (het prijzen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

lof zn. ‘uiting om iemand te prijzen’
Onl. thi timit lof ‘u komt lof toe’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. lof ‘eer, compliment’ [1240; Bern.].
Os. lof (mnd. lof, lōf); ohd. lob (nhd. Lob); ofri. lof (nfri. lof); oe. lof (me. lof); on. lof (nzw. lov); < pgm. *luba- ‘het prijzen’. Al vroeg hieraan ontleend zijn Fins lupa ‘toestemming’ en Ests luba ‘id.’. Afgeleid van pgm. *luba- is *lubō- ‘liefde’, waaruit: os. luva; ohd. luba, luva; oe. lufu (ne. love); got. -lubō.
Pgm. *lub- is de nultrap van dezelfde wortel als in → lief.
Zie ook de afleiding → loven.
loftuiting zn. ‘nadrukkelijke lofspraak’. Mnl. eerst het ww. lovetuten, loftuten ‘lof over iemand spreken’ in die loftuut vor den oghen dijn ‘die jou prijst als je erbij bent’ [1350-1420; MNW]; dan vnnl. het zn. loftuytinghe ‘uiting van lof’ [1648; WNT rapalje]. Het zn. loftuiting is afgeleid van het werkwoord loftuiten, mnl. loftuten, gevormd uit lof en het werkwoord mnl. tuten ‘toeteren, blazen op een hoorn’, een klanknabootsend woord, zie → tuit. Loftuten betekende dus letterlijk hetzelfde als (over iemand) de loftrompet steken.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

lof1* [het prijzen] {901-1000} oudsaksisch, oudfries, oudengels, oudnoors lof, oudhoogduits lob; verwant met lief, beloven.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

Lof

Lof is datgene wat men zegt om iemand te prijzen, te loven. In vroeger tijd had het woord een regelmatig meervoud loven, maar sinds de 16e eeuw is dat niet meer in gebruik. Als meervoud van lof bezigt men nu het woord loftuitingen. Lof tuiten is eigenlijk: iemands lof uitbazuinen. Merkwaardig is dat het werkwoord loftuiten, dat wij nooit meer gebruiken, in het Middelnederlands alléén in ongunstige zin voorkwam. Men bezigde het voor: stroopsmeren, vleien.

Wanneer lof onzijdig gebruikt wordt betekent het of een avondgodsdienstoefening in de R.K. kerk of een bepaalde groente: Brussels lof, witlof. Het laatste woord hangt samen met loof: gebladerte.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

lof 2 znw. m. ‘het prijzen; naam van R.K. godsdienstoefeningʼ, mnl. lof m. ‘lof, lofzang, verlofʼ, onfrank, lof o. ‘lof, psalm, hymneʼ, os. lof o., ohd. lob m.o. ‘lof, lofzangʼ, ofri. lof m.o.? ‘lof, roemʼ, oe. lof m. o. ‘lof, roem, lofzangʼ, on. lof o. ‘lof, roem, verlofʼ. — Zie verder: lief, beloven en loven.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

lof II (het prijzen), o., als de naam van een R.K. godsdienstoefening, mnl. lof m. o. “lof, lofzang, loftuiting, verlof”. = onfr. lof o. “laus, laudatio, psalmus, hymnus”, ohd. lob m. o. “lof, lofzang” (nhd. lob o.), os. lof o. “id.”, ofri. lof (m. o.?) “lof, roem”, ags. lof m. o. “id., lofzang”, on. lof o. “lof, roem, verlof”. Hierbij ’t ww. loven, mnl. lōven “prijzen, waardeeren, zijn instemming betuigen, toestaan, beloven, zich verbinden tot, aanprijzen, borg blijven”, = onfr. lovon, -an “laudare, psallere”, ohd. lobên, lobôn (nhd. loben), os. loƀon “loven, prijzen”, ofri. lovia “prijzen, beloven, vaststellen”, ags. lofian “loven, prijzen”, on. lofa “id., toestaan, beloven”. Vgl. over ’t ablautende on. leyfa “prijzen, toestaan” bij geloven. Voor verdere verwanten zie lief en liefde; en vgl. ook beloven. Met ŏ, ŭ nog os. giloƀo m. “vrije wil”, giluƀi “vrijwillig”; got. galufs “kostbaar” is voor galaufs verschreven.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

lof 3 o. (kerkelijke dienst), hetz. w. als lof 2., zoo genoemd naar het laus et jubilatio der laatste benedictie, gelijk Fr. salut naar het o salutaris hostia der eerste.

lof 2 m. (het prijzen), Mnl., Onfra., Os. id. + Ohd. lob (Mhd. en Nhd. id.), Ags. lof, Ofri. id., On. id.: van den zw. graad van Germ. wrt. leuƀ (z. lief, loven en geloven).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetensckap en Kuns

lof I: eer, roem; Ndl. lof (Mnl. lof), Hd. lob, hou verb. m. Ndl. ww. loven, Hd. loben en Afr. loof/lowe, blo I en glo.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Lof, zie Loven. Loftuiting van ’t Mnl. lovetuten = den lof tuten of toeten, trompetten. (Vgl. ’t dialect: tuter = toeter, trompet.)

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

lof ‘het prijzen’ -> Negerhollands lof ‘het prijzen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

lof* het prijzen 0901-1000 [WPs]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1421. Eigen lof stinkt,

d.w.z. de lof, dien men zich zelf toezwaait, wordt niet geacht, eig. staat in een slechten reuk; men moet zich zelf niet prijzen (zie Spreuken 27, vs. 2). Vgl. in het mnl. men seit eyghen lof stinct (Tijdschr. XXI, 202); Doct. II, 2427; Lsp. III, 3, 253:

Is u ere of doghet geschiet,
Dat en suldi voort segghen niet;
Want lof in eyghenen mont
Wart onsuver talre stont.

Bij Campen, 20: eygen lof stinckt; Spieghel, 295; Bank. II, 430; De Brune, 257: van eyghen lof, men stijncter of; Van Moerk. 459; Huygens, Hofwijck, 466; enz. Zie Harreb. I, 34 b; III, 283 b; Villiers, 74; Halma, 136; Wander, III, 202 en Tuinman I, 7, die beweert dat de Romeinen reeds zeiden propria laus foetet of sordet; vgl. Werner, 46: laus sordet propria; laus nobilis est aliena; 79: qui sibi dat laudem, laudis privatur honore; Antw. Idiot. 1877: eigen lof stinkt en andermans lof klinkt; eigen lof stinkt, vriendenlof hinkt en vreemde lof blinkt; Teirl. II, 217: aige lof stenkt, vremde lof blenkt; fr. qui se loue, s'emboue; hd. eigen Lob stinkt.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut