Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

loet - (gereedschap om te scheppen of te krabben)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

loet zn. ‘gereedschap om te scheppen of te krabben’
Mnl. loete, loet ‘werktuig om mee te schrapen of krabben’ in vorken, crauwelen ..., loeten ‘vorken, drietanden ... schrapers’ [1384-1407; MNW]; vnnl. loete ‘ovenkrabber’ [1599; Kil.].
Alleen verwanten in het West-Germaans, verdere herkomst niet duidelijk. Mogelijk bestaat er verband met → laden, en betekent het dus ‘werktuig om iets te laden’.
Mnd. lote ‘hark’; < pgm. *lōtia- (alleen West-Germaans).
Frans louche ‘grote lepel’ [13e eeuw; TLF] en Engels (dial.) loot ‘lepel om schuim te scheppen van pan voor inkoken van zout’ [1669; OED], zijn wrsch. uit het Nederlands ontleend.
Lit.: Bense 1926-1939, 194; Th. Frings (1942), ‘Französisch und Fränkisch’, in: Zeitschrift für romanische Philologie 62, 68-70; H. M. Flasdieck (1952), Zinn und Zink: Studien zur abendländischen Wortgeschichte, Tübingen, 82-83

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

loet* [werktuig] {loet(e) [naam voor diverse werktuigen om te scheppen of te krabben] 1350} middelnederduits lote [hark]; verwantschap met laden wordt vermoed.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

loet znw. v., ‘werktuig met een steel en breed ijzeren voorstukʼ, mnl. loete, mnd. lōte ‘harkʼ, nnd. lōte, lootse ‘schep met lange steel om de modder uit de sloten te scheppenʼ (> ofra. louche ‘grote lepelʼ, nfra. louche ‘drilboorʼ, eig. ‘lepelboorʼ). Frings ZfrPh 62, 1942, 68-70 beschouwt dit *lōtia als een typisch kustwoord, dat misschien teruggaat op een *hlōþþiō. Verder vermoedt H. M. Flasdieck, Zinn und Zink 1952, 82-83 samenhang met laden 1. — De oudste bet. was dus ‘werktuig om daarop iets te ladenʼ. — > ne. dial. loot ‘lepel om schuim van een pan voor inkoken van zout af te scheppenʼ (sedert 1669; vgl. Bense 194) en > amerik.-eng. lute ‘werktuig om mortel van de bouwstenen af te strijkenʼ (vgl. J. E. Neumann JEGPh 44, 1945, 275)

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

loet (naam van werktuigen om te scheppen of te krabben, met een steel en breed ijzeren voorstuk). In dezelfde bet. mnl. loete v.; mnd. lôte wordt met “rechen, harke, tractula” vertaald. Mogelijk, maar onzeker is de afl. van idg. qlâ- of qlô- (zie laden).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

loet 1 v. (ovenkrabber, schepper, bezem), Mnl. loete + Ndd. lote: ablaut van lat. Wellicht hieruit Fr. louche en louchet.

loet 2 m. en v. (lomperd, luim), is loet 1., overdrachtelijk gebruikt.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

loet ‘werktuig’ -> Frans louche ‘soeplepel; kom met steel om vloeibare mest over het land te verspreiden’ Frankisch; Amerikaans-Engels lute ‘krabwerktuig’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

loet* werktuig 1250 [Rey]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut