Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

loef - (zijde die naar de wind is toegekeerd)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

loef zn. ‘zijde die naar de wind is toegekeerd’
Vnnl. loef ‘zijde die naar de wind is gekeerd’ in soo hadden de Engelschen altijt de loef ende de bovenwindt [1588; WNT vlam I], Loef. De zyde van 't schip daer de windt van daen komt [1612; WNT].
Herkomst onduidelijk. Vaak wordt aangenomen dat de loefzijde de kant van een schip was, waar ook een vlak hulproer was bevestigd, dat als ‘blad’ werd aangeduid.
Mnd. lof ‘loefzijde’. Met de betekenis ‘blad (van roeiriem)’: me. lōf ‘span waarmee het verkorte zeil naar de windzijde werd uitgezet’; on. lófi (nzw. love); got. lofa ‘platte hand, handvlak’; < pgm. *lōfō- ‘lap, plat stuk’, waaruit met het voorvoegsel ga-: on. glófi en oe. glōf (ne. glove) ‘handschoen’. Daarnaast ohd. lappo ‘palm van hand, blad van roeiriem’ (nzw. labb ‘poot, klauw’); < pgm. *lap-.
Pgm. *lōfō- en *lap- zijn verwant met Koerdisch lapk ‘poot’, Litouws lópa ‘klauw’, Russisch lápa ‘poot’; < pie. *lottp-h2- of leh3p-h2 ‘plat; palm van hand’ (IEW 679).
Hoewel het woord pas in het Vroegnieuwnederlands is geattesteerd, lijkt het al Oudnederlands te zijn, aangezien Oudfrans lof ‘loef’, dat ontleend moet zijn aan Oudnederlands *loef, al in ca. 1155 is aangetroffen (TLF). Zie ook → laveren. Het Nederlandse woord is ontleend in het Zweeds als lov, in het Deens en Noors als luv en in het Engels als luff.
Lit.: Bense 1926-1939

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

loef* [windzijde] {1612, vgl. loeve, loef [dol van roeiriem] 1599} middelnederduits lof [roeiriem om de steven aan de wind te houden], middelengels love, oudnoors lófi, gotisch lofa [de vlakke hand]; buiten het germ. litouws lopeta [schep], lets lapsta [schep, spade], russisch lopata [schep], lopatka [schouderblad]. De uitdrukking iemand de loef afsteken [iem. overtreffen] {1661} is oorspr. een zeilterm en wil zeggen dat van twee op parallelle koers varende schepen het ene, dat aan de windzijde vaart, het andere de wind uit de zeilen neemt, zodat het geremd wordt.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

loef znw. v. ‘windzijdeʼ, zal wel verkort zijn uit het oudere loefzijde, eig. ‘de zijde, waar zich de roeipen bevindtʼ, vgl. Kiliaen loef, loeve ‘dol, roeipenʼ, mnd. lōf m. ‘loefzijdeʼ, me. lōf ‘riem tot steun van het roer, om de steven tegen de wind te houdenʼ; hetzelfde woord als me. love, on. lōfi, got. lōfa ‘vlakke handʼ. — osl. lápa, lett. lẽpa ‘pootʼ, lit. lópa ‘klauwʼ (IEW 67g). vgl. nog osl. lopata ‘wanʼ, russ. lopatka ‘schouderbladʼ.

Uit het nl. of nd. zijn ontleend nhd. luv(seite), ne. loof, luff, nde. luv(side), nzw. loυ-side.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

loef znw., in de tegenw. bet. eerst nnl. en wsch. verkort uit loef-zijde. Het eerste lid hiervan is Kil. loef, loeve “dol, roeipen” (misschien reeds mnl.), = meng. lôf “riem of ander voorwerp, gebruikt, ter assistentie van het roer, om den steven tegen den wind in gekeerd te houden”, mnd. lôf m. beteekent reeds “loefzijde”. Uit het Ndl. of Ndd. zijn nhd. luv(seite) v., eng. loof, luff, de. luv(side), zw. lov-side ontleend. Kil. loef, loeve enz. is identisch met got. lofa, on. lôfi m., meng, lôve “vlakke hand”. Met ablaut ohd. laffa v. “blad van den roeiriem”. Verwant zijn oier. luæ “roer” (of van de idg. basis pleu-?), obg. lopata “wan”, in andere slav. talen “schop”, russ. lápa “klauw, poot”, laptá “sla-werktuig”, opr. lopto “spa”, lett. lehpa “poot” (alb. ľopatɛ “schop, roer” uit ’t Slav.). Deze van de idg. basis lē̆p-, lō̆p- gevormde znww. hebben alle de bet. “plat, schotelvormig voorwerp”. Vgl. laveren.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

loef v., verkort uit loefzijde, waarin loef = roeiriem, hetz. w. als On. lófi, Go. lofa, waarover bij lap 2. Uit Ndl., Ndd. lof, Eng. loof, luff, Zw. lov, De. luv. Uit het Germ komt Fr. lof.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

loef: windkant (veral in: iemand d. loef afsteek, “iemand uitoorlê”, vroeër gesê v. ’n skip wat die wind v. ’n ander skip se seile wegkeer); Ndl. loef (d. eerste by Kil), Hd. luv(seite), Eng. (a)loof,loof/luff, hou wsk. verb. m. Meng. love en Got. lofa, “plat hand”.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

aan loef ‘aan de zijde waarvan de wind komt’ -> Russisch † aanljúf, anljúf ‘aan de zijde waarvan de wind komt’.

loef ‘windzijde’ -> Engels luff ‘windzijde’; Duits Luv ‘windzijde’ (uit Nederlands of Nederduits); Deens luv ‘windzijde’; Noors lo, luv, lovart, luvart ‘windzijde’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors lobiter ‘vaartuig; schip’; Zweeds lov ‘windzijde’; Frans lof ‘windzijde’; Spaans ‘windzijde’ ; Portugees ‘windzijde’ ; Bretons lof ‘windzijde’ ; Esperanto lofo ‘windzijde’ .

te loef ‘naar de windzijde’ -> Engels aloof ‘bevel om op te loeven; windzijde; op een afstand; afstandelijk, gereserveerd’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

loef* windzijde 1612 [WNT]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1419. Iemand de loef afsteken,

d.w.z. iemand vooruit komen; te boven gaan. overtreffen. De uitdr. is ontleend aan het zeewezen. Onder de loef verstaat men eig. die zijde van het schip, waarop de wind staat. Komt men nu met zijn schip aan die zijde van een ander vaartuig, dan onderschept men den wind, en beneemt zoodoende aan dat vaartuig het voordeel van den wind. Dit noemt men thans de loef (af)winnen of afknijpen; nd. einem Schiffe die Luw abgewinnen. In figuurlijken zin beteekent iemand de loef afsteken het in zekere handeling, eigenschap, enz. van hem winnen, het voordeel boven hem hebben, hem te boven gaan, overtreffen (Ndl. Wdb. I. 1547; VIII, 2551). De uitdr. dateert uit de 17de eeuw en wordt o.a. aangetroffen bij Vondel, Adonias, 428:

Men zeilt eerst scherp, daer na heel ruim den hoeck te boven.
Zoo krijght men, recht voor wint, de loef van zijn party.
Aldus leght Salomon, eer hy ontwaecke, in ly.

Winschooten, 141; Hooft, Brieven, 173; Pers, 460 b: iem. de loef af zien; 140 b: de loef af strijken; Tuinman I, 144; 147; Sewel, 456; Halma, 321; Harreb. II, 34 b; Villiers, 74: iemand se loef afstek. Zie no 1402.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut