Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

lodderig - (slaperig, soezig)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

lodderig bn. ‘slaperig, soezig’
Mnl. het zn. lodder, loddere ‘losbol, smeerlap’ in loddre die ... iuncurouwe dartoe ontspaent dat soe ‘een losbol, die jonge vrouwen ertoe verleidt dat ze ...’ [1237; VMNW] en de bn. lodder ‘dartel, ongebonden, wellustig’ in loddre worde ‘wellustige taal’ [1300-25; MNW-R], lodderlijk ‘losbandig’ [1400-20; MNW-R], lodderachtigh ‘id.’ [1460-62; MNW-P]; vnnl. dan ook het bn. lodderich ‘hoerachtig, boefachtig’ [1546; Claes 1994a], lodderigh ‘dartel, speels’ [1599; Kil.], en het ww. lodderen ‘genieten, luieren’ [1599; Kil.] en ‘verleidelijk, vriendelijk kijken’ [1610-19; WNT]; nnl. dan lodderig ‘slaperig’ in hy ziet my al wat lodd'rig aan [1709; WNT verleppen] en lodderen ‘slaperig zijn’ [1822; WNT].
Wrsch. met het achtervoegsel → -ig afgeleid van het bn. mnl. lodder. De betekenisovergang van ‘gemeen, schooierig; wulps; bekoorlijk’ naar de huidige betekenis, die jonger lijkt te zijn, komt overeen met die bij het ww. lodderen, waarvan de betekenis van ‘genot smaken, genieten; vriendelijk, verleidelijk kijken’ via ‘zich koesteren, bijv. in de zon, luieren’ verschuift naar ‘slaperig zijn’.
Bij het bn. mnl. lodder: ohd. lotar ‘lichtzinnig, wulps’ < West-Germaans *ludra- ‘nutteloos’. Hierbij behoort ook oe. lýðre ‘slecht’, zie → liederlijk.
De verdere verwantschap is onzeker. NEW neemt aan dat het bij pie. *(s)leut- ‘slap afhangen’ behoort, maar dan zou men pgm. *leuþ- nultrap *luþ- verwachten.
Lit.: Heidermanns 1993, 386-87

Thematische woordenboeken

C.H.Ph. Meijer (1919), Woorden en uitdrukkingen verklaard door Dr. C. H. Ph. Meijer, Amsterdam

Lodderig, van mnl. lodder = liederlijke kerel, schoft, vagebond, waarnaast mnl. lodderen = boeleeren, en lodderlijk = wellustig, dat ook nog later voorkomt; alle van denzelfden stam als ons liederlijk. Uit de ongunstige bet. ontwikkelde zich die van dartel, levenslustig. Joncktijs, Roosel. Oochies VIII: “ Doen hy (Cupido) sag haer lodderijge Oogen”. Ook lodder = lodderig vindt men a.w. LVII: “Besnoeyt uw lodder loncken, Dat soo veel minnevoncken In mijnen boesem stichtt” (verg. LIII: “Lieflockend Licht” = de oogen). Lodderlijk komt in de 17e eeuw voor, waar meermalen de bet. verlokkend, wellustig, er door heen speelt; Cats 1, 204: “Haer lodderlijckste leden” (ook echter “lodderlijck gesicht”, van de zon, 1, 104 a); Hooft, Ged. 2, 23: “Uw oogh vergaep zich niet... aen leden ... op ’t voeghelijkst besneeden, . . . oft lodderlijk gelaet”; Huygens 1, 105: “Lodderlicke Veer” (van ’t bed). Een samenstelling lodderoog komt o.a. bij Vondel voor: “Constantijntje, ’t saligh kijntje, Cherubijntje, van omhoogh, d’Ydelheden, hier beneden Uytlacht met een lodderoogh”. Hier = lachend, helder. Later hebben al deze woorden een andere bet. gekregen, nml. die van slaperig, lutterig. Wellicht heeft hier een denken aan dat woord lutterig, lut (Piet Lul) en leuteren invloed gehad op de bet., toen het woord minder gebruikelijk en minder begrepen werd. Lut = klein, weinig (verg. luttel, eng. little enz.); leuteren= schudden onvast zijn, dan ook huichelen, bedriegen, zeuren, niet voortmaken.
Voor lodder, b.nw., naast lodderig, verg. men : beuzel (Bredero, Angeniet 40), chagrijn (v. Effen, Spect. 6, 75), droef (Kuyper, Liberalen en Joden 3, en elders), eenvoud (Vondel 2, 569), engborst[heid] (Hondius, Moufe-schans 178), ernst (Cats 2, 88 b enz.; Bredero, Liedb. 2, 47), heerschzucht (Droste, Overblijfs. v. Heug. 158), lucht (S. v. Beaumont 38), onrust (Bilderd.), onveil (Camphuyzen. Ps. 10,4; v.d. Goes, Briefwiss. 2. 460), roest (Hooft, Ged. 2, 124), veil (Huygens 1, 507), vocht (v. Mander, Bucolica 123), woed (B a r a, Herst. Vorst III), wonder (vele nieuwere auteurs), alle als b.nw. zonder ig.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut