Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

listig - (sluw)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

list zn. ‘slimme vondst, bedrieglijke slimheid’
Onl. list ‘sluwheid’ [ca. 1100; Will.]; mnl. list ‘list, slim plan’ in die so getane liste in sine herten wiste ‘die een zodanige list bedacht’ [1201-25; CG II], ‘kennis, kunde, vaardigheid’ [1240; Bern.], westelijk mnl. ook lust, in met luste ende met sinne ‘met behendigheid en verstand’ [1285; CG II].
Os. list ‘slimheid, wijsheid; wetenschap, leer’; ohd. list ‘id.’ (nhd. List ‘list’); ofri. list (nfri. list); oe. list ‘slimheid’ (me. lyst); on. list ‘slimheid, goed gedrag’ (nzw. list ‘list’); got. lists ‘sluwheid, kennis’; < pgm. *listi-, wrsch. een abstractum met *-ti- bij de wortel pgm. *lis- zoals in *lisnōn- ‘te weten komen, leren’, zie → leren 1.
De algemene betekenis ‘vaardigheid, slimheid’ is inmiddels verouderd, behalve in de samenstelling → arglist ‘kwade trouw, bedrog’. Het woord heeft tegenwoordig alleen nog de betekenis ‘uiting van vaardigheid of slimheid’, ofwel ‘slimme vondst, sluwe oplossing’.
listig bn. ‘sluw, bedrieglijk’. Mnl. listich [1412-15; MNW-R], met West-Vlaamse -u- in die lustech was ende gheboes ‘die sluw en kwaadaardig was’ [1285; CG II]. Afleiding van list met het achtervoegsel → -ig.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

listig bnw. Afl. van list. Sedert het Mnl., Ohd., Os., On., Got.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut