Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

lispen - (lispelen)

Etymologische (standaard)werken

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

lispen ww., mnl. lispen, lespen, = ohd. lispen “met dikke tong spreken” (nhd. lispeln). Afl. van gloss. bern. lesp, ohd. vroeg-mnd. lisp “blaesus”. De anlaut l- gaat op wl- terug, evenals die van de. lespe, zw. läspa “lispelen”, de. lesp, zw. läsp “lispelend”: vgl. mnd. wlisp(el)en “lispelen, stamelen”, ags. wlisp, wlips “lispelend, stamelend” (eng. to lisp ww.). Oorsprong onbekend. Het etymologiseeren wordt moeilijker door de vele synonieme anlautvarianten zooals ohd. (h)wispalôn (nhd. wispeln) “lispelen”, ags. hwisprian “murmurare” (eng. to whisper), hess. pispeln, blispern, elz. kispern, bei. (p)fispern, zispern, zwispen. Vele vormen zijn als onomatopoëtische vervormingen begrijpelijk; oerwgerm. is de anlaut χw-, oern.- en -wgerm. de anlaut wl-.

Hosted by Meertens Instituut