Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

liplap - (Indo-Europeaan)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

liplap [Indo-Europeaan] {1622} < maleis liplap [in laagjes van verschillende kleuren], bv. mas liplap [imitatiegoud] (mas [goud]); een orang liplap werd zo een aanduiding voor een Indo-Europeaan (orang [man, mens]) hetzelfde woord als liplop de laag in de kokosnoot die de binnenkant van de schaal bekleedt.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

liplap znw. m., sedert 17de eeuw liblab, liplap ‘zachte merg van de jonge kokosnoot; rijst met kokosmelk gekookt; jonge nog groene kokosnootʼ < maleis overgenomen. — De bet. van ‘in Indië geboren kind van europese oudersʼ komt sedert de 18de eeuw op, en is wel hetzelfde woord (zie: katjang). — Rechtstreeks verband met nhd. lieppenlapp ‘dwaas mensʼ, liplep ‘dwaas gepraatʼ is dus niet aan te nemen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

liplap znw., 18-eeuwsche bet. in Indië: “in Indië geboren kind van Europeesche ouders”. Mogen wij du. lippenlapp “törichter mensch”, liplep “törichtes gerede” vergelijken, dan moeten wij in liplap een onomatopoëtisch gevoelde allitereerende afl. van lip zien. Moeten wij uitgaan van het 17.-eeuwsche liblab “milchrahm der an der inwendigen schale der jungen kokosnüsse hängt, nachdem man das wasser ausgetrunken”, dan is de verklaring onzeker: vgl. liflaf?

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

liplap. Het laatste alternatief verdient de voorkeur: 17e-eeuws liblab, liplap, een ospr. oostindisch woord voor ‘merg van de kokosnoot; rijst met kokosmelk gekookt; jonge kokosnoot’ zal als spotnaam voor ‘kleurling’ zijn gebruikt; vgl. katjang (< mal. katjang ‘peulvrucht’, vooral ‘aardnoot’) = ‘Indo’.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

liplap m., ook liblab, in Indië lippertje + bij Grimm lippenlapp = törichter mensch; uit een Hgd. vorm komt Fr. lifrelofre (Godefroy: terme d'injure ou de mépris appliqué d'abord aux Suisses). Het is een verdubbeling met ablaut van lip, en bet.: iem. die wegens zijn dikke lippen of onderlip steeds een pruilend uitzicht heeft; van daar slecht geluimd, grillig, gek.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

lieplap s.nw. (verouderend)
Lieplapper (lieplapper 1 en 2).
Uit Ndl. liplap (1622) 'persoon van Indo-Europese afkoms'. Eerste optekening in Afr. by Pannevis (1880).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

lieplapper: niksnuts, rondloper; Ndl. liplap (+ suf. -er by persn.), binneste v. kokosneut (al by Rum), reeds in 1622 i. d. Ooste op pers. (veral v. gemengde bloed) toeg.; vgl. Frank TB 11-12.

N. van der Sijs (bezorger) (2003), Uit Oost en West. Verklaring van 1000 woorden uit Nederlands-Indië van P.J. Veth (1889), met aanvullingen van H. Kern en F.P.H. Prick van Wely (1910), Amsterdam. Gebaseerd op: Uit Oost en West. Verklaring van eenige uitheemsche woorden van P.J. Veth uit 1889, recensie van het werk van Veth door H. Kern in De Indische Gids van 1889, en ‘Etymologisch aanhangsel’ (p. 297-350) uit het Viertalig aanvullend Hulpwoordenboek voor Groot-Nederland van Prick van Wely uit 1910

liplap1 [Indo-Europeaan]. Naam die vooral op Java, misschien ook elders in Nederlands-Indië, gegeven wordt aan een zekere klasse van personen, in hoofdzaak afstammende van de Portugezen die tijdens de verovering van de bezittingen van Portugal door de Nederlandsch Oost-Indische Compagnie in haar nederzettingen gevestigd bleven en de Hervormde kerkleer aannamen, en ten behoeve van wie te Batavia en elders lange tijd in de Portugese taal werd gepredikt, totdat deze vrijwel geheel door de Maleise verdrongen was. Ofschoon van Europeanen, althans Europese vaders, die twee à drie eeuwen geleden leefden, afstammende, moeten zij echter, wegens de sterke inmenging van inlands bloed, als kleurlingen beschouwd worden. Doorgaans onder elkaar huwende of zich weer met inlandse vrouwen verbindende, leven zij vrijwel geheel gescheiden van de Europeanen of kleurlingen van nieuwere oorsprong, en vormen bijna een eigen ras, dat een mengelmoes van Maleis en Hollands van de slechtste soort als taal heeft aangenomen, eigenaardige gewoonten volgt en zich, ten gevolge van grove verwaarlozing, veelal door grote stompzinnigheid en onkunde onderscheidt.

‘Geplaatst’, zegt Van Rees, Herinneringen, 3e druk, 1e serie, p. 239, ‘tussen Europeanen, die zich niet met hun vorming bemoeien, en inlanders, met wie zij zich niet willen afgeven, blijven zij op een lage trap van ontwikkeling staan.’ Beide seksen zijn bijzonder keurig op hun kleding, die bij de mannen, signo’s geheten, zeer nauwsluitend en stijf is, maar bij de vrouwen, die nonna’s genoemd worden, en er in hun jeugd dikwijls allerliefst uitzien, zich door bevalligheid en goede smaak onderscheidt. De mannen schrijven doorgaans een fraaie hand, en worden dus dikwijls als kopiisten gebezigd, maar begrijpen vaak zo weinig van hetgeen zij schrijven, dat hun kopieën van fouten wemelen; de vrouwen zijn vaardig in handwerken, hebben enige aanleg voor muziek en zijn hartstochtelijke danseressen.

De naam liplappen die men hun geeft, en die ook wel, misschien beter, liblabben geschreven wordt, is uit geen bekende taal te verklaren, of men moest er, met sommigen op Sumatra’s westkust, het Batakse liplip in vinden, hetwelk betekent: iemand als zijn bloedverwant verloochenen, omdat men zijn schulden niet wil betalen. Zie Van der Tuuk, Bataksch-Nederduitsch woordenboek, p. 484. Deze verklaring is echter geheel onaannemelijk; behalve dat de betekenis in het geheel niet past, was de naam van Liplap reeds te Batavia in gebruik, toen men er zelfs de naam van de Bataks ternauwernood kende. Liplap schijnt mij een komisch, willekeurig gevormd woord te zijn, op de wijze van mikmak en dergelijke — een spotwoord dat, enigszins geluidnabootsend, op de hoogst gebrekkige en belachelijke taal van deze klasse van kleurlingen wijst.

In de beruchte ‘Relation de la ville de Batavia,’ als aanhangsel gevoegd bij de Voyages aux Indes Orientales van N. de Graaff, komt, p. 291, een plaats voor over de vrouwen te Batavia, waarin van de Hollandoises-Indiennes, dat zijn de in Indië uit Europese ouders geboren meisjes, gezegd wordt: ‘on les appelle ordinairement les Enfants Liblabs; la plus part de celles-ci ont, à ce qu’on dit, le timbre un peu felé.’ Ik weet niet recht wat ik van deze woorden maken moet. Is de naam Liblab in De Graaffs tijd (omstreeks 1720) de speciale naam geweest van de in Indië uit Europese ouders geboren vrouwen, of schuilt er iets bijzonders in dat Enfants Liblabs? Dat destijds de toon van de Bataviase Maatschappij uitermate slecht was, dat ook Europese ouders de opvoeding van hun kinderen schandelijk verwaarloosden, ze vaak geheel aan slaven overlieten en zelfs niet zorgden, dat zij de Nederlandse taal leerden, en dat de dochters zich in reine zeden en beschaafde manieren vaak weinig boven de Liplapse dames verhieven, zijn zeker maar al te bekende zaken; maar dit is toch de enige plaats die mij ooit is voorgekomen, waarin dames van onvermengd Europees bloed, in weerwil van, ja men zou zeggen juist om hun zuiver Europese afkomst, Liplappen, of eigenlijk, wat nog vreemder is, Liplapse kinderen worden genoemd. Wie tegenwoordig het wagen mocht een dame van zuiver Europees bloed, die gewoonlijk te Batavia zelf al de voordelen van een Europese opvoeding heeft genoten en in niets bij haar zusters in het vaderland achterstaat, een Liplap of een Liplaps kind te noemen, zou haar een grove en waarschijnlijk geheel onverdiende belediging toevoegen. [V]

liplap2 [Indo-Europeaan]. Thans weinig of niet meer gebruikt, is, zegt prof. Veth, uit geen bekende taal te verklaren, of men moest er het Batakse lilip in vinden, wat echter gewoonlijk betekent: iemand als zijn bloedverwant verloochenen, omdat men zijn schulden niet wil betalen. Maar dat is natuurlijk geheel onaannemelijk. Prof. Veth ziet er een komisch, willekeurig gevormd woord in, een spotwoord dat, enigszins geluidnabootsend, op de hoogst gebrekkige en belachelijke taal van deze klasse van kleurlingen wijst. Verder geeft hij nog een stukje van de geschiedenis van dit woord, de plaats bij De Graaff (Oost-Indise spiegel), waar deze zegt wat men onder Liblabs verstond omstreeks 1720. In het Hollands (prof. Veth citeert uit de Franse vertaling) luidt de passage: ‘bij d’Oost-Indise [vrouwtjes verstaan wij] Hollandse, die in Oost-Indien van een Hollandsche vader en Moeder zijn geboren; en die gemeenlijk met de naam van Liblabs-kinderen genoemd worden; vermids ’t meerendeel (gelijk men seid) een slag van de Meulen heeft’. Ofschoon prof. Veth dit niet begrijpt, is het volmaakt in overeenstemming met een betekenis van het woord Liblab in het Duits, die ook in Nederland bekend kan zijn geweest, namelijk ‘thörichter Mensch’ (Grimm), dus iemand die wat ‘tropenkolder’ in de kop heeft. Overigens is De Graaff de enigste niet, die de naam liplap toepast op kinderen van Europese ouders in Indië geboren. In Hobson-Jobson vindt men de volgende aanhaling uit Stavorinus (1768-1771): ‘Kinderen in Indië geboren krijgen den spotnaam liplaps van de Europeanen, al mogen de ouders beide uit Europa gekomen zijn’. Dit wijst reeds op een uitbreiding van de betekenis die het mogelijk maakt de minachtende naam van de Europese kinderen over te dragen op die van gemengd ras, vooral onder inwerking van het reeds in gebruik zijnde lips, dat we mede bij De Graaff vinden op p. 10 van zijn Oost-Indise spiegel. Daar spreekt hij van de Indische kinderen die hun ‘redenen’ vermengen met een lipse tyolise of ‘bastaard-Portugese’ taal. Hiermee is de zaak evenwel nog niet uit, om niet eens te spreken van de gissingen van H. Schuchardt in zijn Kreolische Studien. Immers liblab betekende omstreeks het eind van de zeventiende eeuw: ‘der etwa einen halben Finger dicken Milchrahm der an der inwendigen Schale der jungen Kokosnüsse hängt, nachdem man das Wasser ausgetrunken [hat]’ (G. Meister, Der Orientalisch-Indianische Kunst- und Lustgärtner, 1692). Overdrachtelijk zal hiernaar genoemd zijn het kostje dat men beschreven vindt in Innigo de Biervillas’ Voyage, II, p. 37 ed. 1736: ‘les Matelots et les Soldats sont nourris ordinairement dans cet Hôpital, de ris à l’eau, et de quelques morceaux de boeuf salé et de vieux lard jaune, avec une écuellée de lippelape tous les matins. Cette sorte de potage se fait avec des herbes hachées et mêlées avec du ris, ce qui ressemble assez à la patée qu’on donne aux dindons qu’on veut élever’. Zouden we én bij Meister, die in zijn verklaring van het woord geheel overeenstemt met wat Rumphius zegt in boek I, hoofdstuk 1, én bij De Biervillas te doen hebben met het Hollandse liflaf in de Maleise mond, dat wil zeggen met de f = p, daar het Maleis de f niet heeft? Eigenaardig is het zeker dat het woord op het ogenblik veel meer voorkomt in de praktijk van de inlanders dan in de Europese en Indo-Europese maatschappij. In de betekenis van ‘kleurling’ is het zelfs opgenomen in Rigg’s Dictionary of the Sunda language, waar liplap omschreven wordt als volgt: ‘a person whose parents are one of them European and the other native. Mostly born of a native mother by an European father’. Hoe rijmt dit alles tezaam, kan men wel vragen, en in hoeverre blijft de afleiding: persoon met lapachtig grote omgekrulde lippen, ‘lipper’, te handhaven?37* [P]

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

liplap: (destijds in Ned.-Indië) denigrerend voor een indo-vrouw of -meisje; kleurling(e): een kind van een blanke vader en een inlandse moeder of omgekeerd. Het is Maleis en betekent ‘verschillend gekleurde laagjes op elkaar’. Emas liplap betekent ‘imitatiegoud’. Liplap is ook een meer algemeen scheldwoord (zie citaat Querido). Veth schrijft: ‘Liplap schijnt mij een komisch, willekeurig gevormd woord te zijn, op de wijze van mikmak en dergelijke, – een spotwoord dat, eenigszins geluid nabootsend, op de hoogst gebrekkige en belachelijke taal dezer klasse van kleurlingen wijst.’

Bovendien – en hieraan heeft de regering veel schuld – is de liplap dikwijls slecht onderwezen. (Multatuli, Max Havelaar, of de koffieveilingen der Nederlandsche Handel-Maatschappij, 1860)
Kon hij nou huilen? Verdomd! Zoo’n plechtige chinees… nee, dat was ’n mirakel. Zoo’n oud-bevlekt banier als hij! wat ’n liplap komkom! dat móest remmen. (Israël Querido, De Jordaan, 1912-1925)
En zooals men in het Amsterdamsche ghetto, wanneer er ‘matschudding’ in de buurt is, de kinderen Israëls elkaar hoort schelden voor smous, leip, parg, zoo kan men, als er ‘mikmak’ is in de Indo-wijk Krembangan te Soerabaja of in Kemajoran te Batavia, de Indo’s elkaar hooren bombardeeren met het geheele scheldwoorden-vocabulaire, dat in den loop der eeuwen door pigmentvreters is uitgevonden: katjang, lip-lap, blauwe, klipsteen, kakkerlak enz. (De Groene Amsterdammer, 07/01/1922)

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

liplap (Maleis liplap)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

liplap ‘Indo-Europeaan’ -> Engels † lip-lap ‘bijnaam voor Indo-Europeaan’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

liplap Indo-Europeaan 1622 [WNT] <Indonesisch

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut