Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

lip - (rand om de mond)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

lip zn. ‘rand om de mond’
Onl. leppa ‘lip’ in Thine lepphan sint samo eine roda binda ‘je lippen zijn als een rode band’ [ca. 1100; Will.]; mnl. lippe ‘lip’ [1240; Bern.], lip [ca. 1475; MNW].
Mnd. lippe (ontleend als nhd. Lippe via de bijbelvertaling van Luther); oe. lippa; ofri. lippa, alle ‘lip’; < pgm. *lepjō-. Hiernaast staan enkele varianten met verschillende achtervoegsels: onl. lepor ‘lip’ [10e eeuw; W.Ps.] en ohd. leffur uit pgm. *lep-ura- of *lep-uza-; ohd. lefs, lefso ‘lip’ (nhd. Lefze ‘lip’) < pgm. *lep-asa(n); en ozw. læpi (nzw. läpp) < pgm. *lep-ōn-.
Verdere etymologie onduidelijk. Het is aannemelijk dat er verband bestaat met Latijn labium, labrum ‘lip’, maar de klinker klopt dan niet. Er zijn geen verdere verwanten. Mogelijk is er echter verband met pie. *leb- ‘slap neerhangen’ (IEW 655-657), zie → laf en → slap.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

lip* [rand van mondopening] {lip(pe), leppe 1220-1240} middelnederduits lippe, oudfries, oudengels lippa; buiten het germ. latijn labium; vgl. labberen, laf1, slap, van een i.-e. stam met de betekenis ‘slap neerhangen’.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

lip znw. v., mnl. lippe, leppe v., mnd. lippe (sedert Luther > nhd. lippe), ofri. oe. lippa m. (ne. lip), noorw. lippa. — < germ. *lepjan, lepjōn, naast *lepan in nde. læbe, ozw. læpi en *lepas in ohd. lefs, nhd. lefze. — Dit verbindt men met de idg. wt. *leb ‘slap afhangenʼ, waarvoor zie: laf 2. Lat. labium heeft een a, evenals labō ‘wankelenʼ, labor ‘glijden, zinkenʼ (IEW 655-6). — mnl. lippe > fra. lippe ‘vooruitstekende onderlipʼ (sedert de 13de eeuw, Valkhoff 180).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

lip znw., mnl. lippe (leppe) v. = nhd. lippe v. (uit het Ndd. of Md.), ofri., ags. lippa m. (eng. lip), noorw. lippa “lip”, germ. *lipjan- > *lepjan-. Formantische varianten zijn: ohd. lëfs m. (nhd. lefze v.) “lip”, mnl. (Limb., Šerm.) lēper, onfr. lëpor, ohd. lëffur m. “id.” en ode. læpæ (de. læbe), ozw. lepe (zw. läpp) “id.”. Verwant is lat. labium, labrum “lip”. Welk vocalisme de idg. basis gehad heeft, is onzeker: in ieder geval zullen we deze basis niet mogen scheiden van die van lepel: dan was waarschijnlijk a de ospr. vocaal (vgl. bij geven); met hoort misschien kymr. llyfu “likken” hierbij.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

lip. Men verklaart het vocalisme het gemakkelijkst door van idg. e uit te gaan en de a van lat. labium als reductievocaal te beschouwen; zo b.v. Güntert Abl. 53 vlg. Dan moet echter de groep van lepel ervan worden gescheiden. — Kymr. llyfu ‘likken’ past behoorlijk in de groep van likken I, vgl. WP. II, 400.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

lip v., Mnl. lippe + Ndd. id. (waaruit Hgd. id.), Ags. lippa (Eng. lip), Zw. läpp, De. læbe + Lat. labium, Gaël. liob, Lit. lupa. Daarnevens Onfra. lepar, Ohd. leifur + Lat. labrum: van Idg. wrt. leb en wrt. lab = flodderen, slorpen.

Thematische woordenboeken

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

lip. Als je iemand toewenst krijg iets/wat aan je lip! dan is dat weinig fraais. Hetzelfde gaat op voor krijg een dikke lip! Met dikke lip! bedoelt men wellicht de ‘langwerpige slijmvliesplooi onder het lippenrood van de bovenlip’ of, in medisch jargon, de labium duplex. In geval van woede of andere frustratie zo’n formule gebruiken, betekent dat je wilt zeggen ‘voor mij heb je afgedaan, je boeit wij niet meer en het laat mij koud dat je een vreselijke ziekte of kwaal krijgt’. Misschien is wat men in deze verwensing iemand toewenst wel een ontstekingachtige aandoening van het type herpes. Zo nu en dan wordt aan krijg iets aan je lip toegevoegd pal bij je oor! Vgl. Van Eijk (1978: 80). Dat moet wel iets verschrikkelijks zijn en bijna een biologisch wonder. De emotionele betekenis is ‘ik heb een vreselijke hekel aan je, maak dat je wegkomt’. → kanker, klaplip, wat.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Leppen, van den Germ. wt. lap = drinken, likken; verwant is lepel (werktuig) en lip.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

lip ‘rand van mondopening’ -> Zweeds läpp ‘rand van mondopening’ (uit Nederlands of Nederduits); Frans lippe ‘dikke, vooruitstekende onderlip; beweging om de onderlip naar voren te brengen’; Bretons lip ‘schuim’ ; Negerhollands lip, lepp ‘rand van mondopening’; Papiaments lep (ouder: lip, leep) ‘rand van mondopening’; Sranantongo lep ‘rand van mondopening’ (uit Nederlands of Engels).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

lip* rand van mondopening 1100 [Willeram]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

847. Het hart op de tong (of op de lippen) hebben,

d.i. zeggen wat men denkt, van zijn hart geen moordkuil maken, openhartig zijn. De zegswijze komt in de 16de eeuw voor: t Hart leyt op de tonge altoosZie G. Kalff, Verslag van een onderzoek in Engelsche bibliotheken, bl. 39.. Zie verder W.D. Hooft, Jan Saly, 18; Tuinman, II, 207; Ndl. Wdb. VI, 7; VIII, 2177; fri. it hert op 'e tonge habbe; hd. das Herz auf der Zunge haben; nd. dat hart för up de tunge hebben (Dirksen, I, 38); fr. avoir le coeur à la bouche, sur les lèvres, sur la main; eng. to have one's heart in one's mouth (or upon one's sleeve; at one's tongue's end). Vgl. ook het mlat. os habet in corde sapiens, cor stultus in ore (hier wordt gedacht aan iemand die er alles maar uitslaatVgl. Huygens, Korenbl. 2, 213: Uw hert light op uw' Tongh, maer waert ghy wat min jongh, uw' Tongh laegh in uw hert; De Brune, 286: De mond van een voorzichtigh man, light in zijn hert, of herszen-pan; het herte van een nar of zot light in zijn mond, gans zonder slot.).

1417. De lip laten hangen,

d.w.z. een ontevreden en zuur gezicht zetten, simmen (o.a. in Nest, 18; 147), summen, sumpen (Antw. Idiot. 1215), op het punt staan van te schreien, vooral van kinderen gezegd, dial. eene pan of een penneke makenNdl. Wdb. XII, 265; N. Taalgids XIV, 197.; vgl. een hanglip, een pruiler. In Zuid-Nederland eene lippe (leppe) maken, de lippe(n) spannen, - trekken, - zetten (de beide laatste ook bij ons); in Kl.-Braband zijn lippen slepen of laten hangen (Joos, 86; Teirl. II, 208); Antw. een lip trekken of zijn lip laten hangen; fr. faire la lippe, faire une grosse lippe; Zaansch: een prutlip (pruillip) zetten. Vgl. Plantijn: Lippen, de lippe hangen laten, faire le lippu, labra exerere, labiosum agere; Halma, 321: De lip laaten hangen, pruilen, bouder, faire la mine; Van Effen, Spect. IX, 63; X, 19; XI, 147; C. Wildsch. III, 304; Tuinman I, 92; Sjof. 40; Ndl. Wdb. V, 2099; VIII, 2477; Villiers, 74. De Duitschers zeggen: das Maul oder die Lippen hangen lassen; in het nd. is bekend: de Lippen hongen lâten (Eckart, 330); oostfri. hê lett de lebbe (od. lipe) hangen (Ten Doornk. Koolm. II, 481); eng. to hang one's lip (verouderd). In Groningen: de lip op 't darde knoopsgat hangen loaten (Molema, 539 b), waarmede te vergelijken is haer aenschijn hangt in den derden schakele (bij Colijn v. Rijssele, Sp. der M. 1060); in Limb. hij heeft de lippen op de klompen hangen (is slecht geluimd; 't Daghet, XII, 126); fri. de lippe (of prullippe) hingje litte.

1418. Zich op de lippen bijten,

d.w.z. zich inhouden, vooral van gramschap en woede, maar ook, evenals in Zuid-Nederland, zijn lachlust bedwingen. Ook zegt men hiervoor op zijne tanden bijten (van gramschap; zie Trou m. Bl. 117; Leeuwendalers, 1600); 16de eeuw bij Despars: op sinen breidel bijten; zie Huygens, Kost. Mal, 135 (lippenbeet); Halma, 321; Van Effen, Spect. XII, 12; C. Wildsch. IV, 245; II, 342: Van Arkel beet op zijn lip; Ndl. Wdb. II, 2650; VIII, 2478; Teirl. II, 208: op zijn leppe bijten. Bij Anna Bijns, Refr. 66 komt voor: de lippen bijten, in den zin van vertoornd worden, en in de middeleeuwen sine tande te gader biten; fri. op 'e lippe bite; fr. se mordre les lèvres; hd. sich auf die Lippen beiszen; eng. to bite one's lips.

1629. Tusschen neus en lippen,

d.i. terloops, in het voorbijgaan; eig. van spijs of drank: in den tijd dat spijs of drank zich tusschen neus en lippen bevindt. Vgl. Het Volk, 3 Jan. 1914, p. 9 k. 1: Het moest wel spannen, wanneer zij 'n beroep deed op de vereeniging van liefdadigheid, want de dames verweten haar, zoo tusschen neus en lippen door, dat de kinderen er toch niet hongerig uitzagen; 3 Febr. 1914, p. 2 k. 3: Nu vindt het vaak plaats dat buiten den gewonen rangeerdienst ons order wordt gegeven dat er met trein zooveel een rijtuig medegegeven moet worden. Zulks geschiedt dan vaak tusschen neus en lippen.

2068. Een slaplip,

d.i. iemand ‘die slappe lippen heeft’, die van nature dorstig is, wiens lippen naar 't drinken staan, een drinkebroer. Vgl. S.M. 112: Zoo'n leelijke slaplip. O Teun, we moeten op hem loeren als hij thuis komt. Hiernaast een ww. slaplippen, drinken (Woordenschat, 1071).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut