Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

linnen - (weefsel van vlas)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

linnen zn. ‘weefsel van vlas’
Mnl. als zn. linin ‘weefsel van vlas’ [1236; CG I], als bn. in jn .i. linijn cleet ywonden ‘in een linnen kleed gewikkeld’ [1285; VMNW], een linnen cleet ‘een linnen doek’ [1351; MNW-P], als zn. lynnen in de samenstelling lynnenwever [1420; MNW].
Afgeleid met het achtervoegsel voor stoffelijke bn., zie → gulden 2, van mnl. lijn- ‘vlas’, in bijv. lijnwaad en zie → lijnzaad. De overgang van bn. naar zn. (dat weliswaar iets eerder is geattesteerd) vond plaats door weglating van het zn. cleet in combinaties als lynen weven, maken of bereyden ‘linnen doek, linnen kleding weven, maken of vervaardigen’ [1477; Teuth.].
Os. līnīn (mnd. linnen); ohd. līnīn (nhd. leinen, ook zn. Leinen, naast Linnen als ontlening aan het mnd.); ofri. linnen (nfri. linnen); oe. līnen (ne. linen ook zn.); < pgm. *līnīna- ‘van vlas’.
De verwachte vorm is nnl. *lijnen. Deze vorm bestaat nog wel gewestelijk (FvW). In de standaardtaal is, net als in het Middelnederduits, de stamklinker verkort.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

linnen* [(weefsel) van vlas (zn., bn.)] {linijn, lijn(n)en [van linnen gemaakt (bn.) en dan ook als zn.] 1236} afgeleid van lijn1.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

linnen znw. o., ontstaan uit *līnīna, vgl. nog dial. lijnen (N. Brab.), mnl. lînijn, lînen, os. līnin, mnd. linen (> nhd. linnen door de westfaalse linnenhandel); substantivering van het bnw. mnl. lînijn, lînen, os. līnin, ohd. līnin (nhd. leinen), ofri. linnen, oe. līnen (ne. linen) afgeleid van lijn 1.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

linnen znw. o. en bnw. Met verkorting van de î en rekking van de n (vgl. ladder; nhd. linnen o. komt uit ’t Ndd. evenals ouder-de. linnen bnw., de. linned, -et ook znw.) naast dial. (N.Brab.) lijnen, mnl. lînijn, lînen o. “linnen”: het gesubstantiveerde onz. van ’t bnw. lînijn, lînen “linnen” = ohd. lînîn (nhd. leinen, ook znw. o.), os. lînin, ofri. linnen, ags. lînen (eng. linen), stoffelijk bnw. bij mnl. lijn (slechts bekend uit lijnghewaet, lijnlāken, lijnsaet, lijnwaet, lijnwant, die ten deele nog bestaan; nnl. ook lijnkoek, lijnmeel, lijnolie; Kil. kent nog lijn “vlas”), ohd., os., ags., on. lîn, got. lein o. “vlas, linnen”. Wsch. evenals ier. lîn, alb. ľjini “id.” ontleend uit lat. lînum “id.”, ofschoon wat den vorm aangaat ook oerverwantschap of gemeenschappelijke oeroude ontl. uit een andere taal (vgl. hennep) mogelijk zijn zou. De laatste hypothese echter is heel onwsch., omdat de ablautende vormen gr. línon, obg. lĭnŭ, lit. linaĩ “vlas” en de formantische variant gr. līta “gewaad” op een idg. basis lī̆- wijzen. Of deze met de bij lenig besproken basis identisch is, is volkomen onzeker.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

linnen o., Mnl. lijnin, Os. lînîn + Ohd. lînîn (Mhd. id., Nhd. leinen), Eng. linen: verkort uit lijnen, zelfst. gebr. bijv.nw. van lijn 1 (z.d.w.).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

liene (bn.) linnen; Vreugmiddelnederlands linin <1236>.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

linnen ‘weefsel van vlas’ -> Noors linnet ‘linnengoed; ondergoed, nachtgoed’ (uit Nederlands of Nederduits); Indonesisch linen, linan ‘weefsel van vlas’; Javaans lénah ‘weefsel van vlas’;? Madoerees lena, lenah, lina ‘wit lijnwaad’; Japans rinneru ‘weefsel van vlas’; Negerhollands linnen ‘weefsel van vlas’; Papiaments † linnen ‘weefsel van vlas’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

linnen* weefsel van vlas 1236 [CG I1, 23]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut