Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

-ling - (achtervoegsel van persoonsaanduidingen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

-ling achterv. dat persoonsaanduidingen vormt
Onl. jungeling ‘jongeling’ in thar beniamin iungelig (lees: iungeling) ‘daar is Benjamin, de jonge man’ [10e eeuw; W.Ps.], kamerling ‘kamerheer’ als toenaam van Gerardus Kamerling [1122; Debrabandere 2003], etheling ‘iemand van adel’ als toenaam van Isbrand Ethelig (lees: etheling) [1162; Gysseling/Debrabandere 1999], sceuelinc ‘schele’ als toennaam in terra Sceuelinc ‘het land van Scheveling’ [1187; Gysseling/Debrabandere 1999]; mnl. tocomelinc ‘vreemdeling’ [1240; Bern.], din nakomelingen ‘jouw nageslacht’ [1265-70; CG II].
Algemeen wordt aangenomen dat -ing in -ling etymologisch identiek is aan het achtervoegsel -ing (mnl. -inc) in patroniemen, geslachtsnamen e.d. en in zn. met de betekenis ‘behorend bij het door het grondwoord uitgedrukte’, bijv. mnl. vlaminc ‘Vlaming’, vierdinc ‘muntnaam, een vierde deel van een stuiver’, coninc (zie → koning). Als er veel gevallen zouden zijn met een grondwoord op -l, zou -ling kunnen zijn ontstaan door analogie (Schönfeld, par 170A). Zulke gevallen zijn echter weinig talrijk: in het vroegste Nederlands slechts onl. etheling (zie boven), mnl. edelinc, adelinc ‘iemand van adel’, kaerlinghe ‘afstammelingen van Karel’ [1300-50; MNW-R] en in het Oudhoogduits o.a. sidiling ‘kolonist’ bij sedal ‘woonplaats’. De -l- is daarom mogelijk een relict van het achtervoegsel -el zoals in Oudgermaanse vleinamen Attila, Wulfila en als verkleiningsachtervoegsel in zn. als → druppel. Voorbeelden zijn er in het Oudhoogduits: turiling ‘achterdeur’ bij turila ‘id.’, stickiling ‘zaagvis’ bij steckil ‘stekel’, kisiling ‘kiezelsteen’ bij kisil ‘id.’, wīsiling ‘denker’ naast wīsil ‘leider, kenner’. Ook veel van de Middelnederlandse woorden op -linc hebben inderdaad betekking op kleine zaken of personen, bijv. mnl. halling ‘halve penning’ < *halveling, vierlinc ‘muntnaam, vierde deel van een stuiver’ (zie ook boven), schellinc ‘bepaalde munt’ (bij een onbekend grondwoord, zie → schellinkje), crakelinc ‘klein baksel’, vingerlinc ‘vingerring’, nestelinc ‘jonge vogel’, tweelinc (zie → tweeling), sogelinc (zie → zuigen), vondelinc (zie → vondeling).
Os. -ling; ohd. -ling; oe. -ling; on. -lingr; got. -liggs. Algemeen is bijv. mnl. gadelinc; os. gaduling; ohd. gatuling; oe. gædeling; got. gadi-liggs; alle ‘verwant, neef, genoot’, bij het grondwoord → gade. In het Duits, het Nederlands en het Scandinavisch raakte het achtervoegsel wijdverbreid.
Bijna alle zn. op -ling zijn persoonsaanduidingen, gevormd bij zelfstandige of bijvoeglijke naamwoorden (reeds Oudnederlands) of bij werkwoorden (vanaf het Middelnederlands), bijv. jongeling, vreemdeling, leerling, nakomeling. Zaaknamen op -ling zijn in het hedendaagse Nederlands weinig frequent, bijv. krakeling.
Lit.: Schönfeld, par. 170A

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

-ling* [achtervoegsel waarmee mannelijke persoonsnamen worden gevormd] {in bv. jungelinc [jongeling] 1201-1250} oorspr. in de zin van behorend tot door het grondwoord uitgedrukt en dan vooral persoonsnamen die afgeleid zijn van de vader als Karolingen (vgl. -ing).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

-ling suffix tot het vormen van mannelijke persoonsnamen ontstaan uit het suffix -ing (zie aldaar) en wel uit samenstellingen, waarin het grondwoord met een l eindigde, zoals ohd. ediling ‘edelmanʼ, sidiling ‘kolonistʼ (van sedal ‘woonplaatsʼ), oe. lytling ‘kindʼ (van lytel). Het suffix treedt ook sporadisch in het got. op vgl. gadiliggs ‘neefʼ, os. gaduling, ohd. gatuling ‘verwantʼ, oe. gædeling ‘genootʼ; zie voor de stam gade en skilliggs (waarvoor zie: schelling).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

-ling substantief-suffix. Het alg. n.- en wgerm. suffix -(i)liŋӡa-, -(i)luŋӡa- (bijv. in jongeling) is ontstaan, doordat in afll. met -ing zooals ohd. sidiling m. “kolonist” van sëdal m. o. “woonplaats” -ling (-liŋӡa-) als het suffix werd gevoeld. Wellicht moeten wij ook voor got. gadiliggs m. “neef”, ohd. gatiling, gatuling enz. (zie gade) het suffix -liŋӡa- aannemen: dan heeft zich dit al in ’t Oergerm. ontwikkeld. Bnww. als onderling zijn veel jonger en bij de bijwoorden op -lings, -ling, mnl. -linghe(n) gevormd.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut