Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

linde - (loofboom (geslacht Tilia))

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

linde zn. ‘loofboom (geslacht Tilia)’
Onl. linda, wrsch. al in de plaatsnamen Linthusen (ligging onbekend, mogelijk in Nederland) [996, kopie 1480; Künzel] en Lindescote ‘Linschoten (Utrecht)’ [1172; Künzel]; mnl. linde ‘lindeboom’ [1240; Bern.].
Os. lindia; ohd. linta (nhd. Linde); oe. lind(e) (ne. linden); on. lind (nzw. lind); < pgm. *lind(j)ō- ‘linde’.
Verdere herkomst onzeker. Er wordt verband aangenomen met Slavische vormen als Russisch dial. lut ‘(linde)schors’, lut'e ‘jong lindebos geschikt om schors te winnen’, Pools łęt ‘van een plant’; < Proto-Slavisch *lǫtu ‘linde’ < pie. *lont-, terwijl de Germaanse vormen wijzen op pie. *lent-. Dit moeten dan ablautende vormen zijn.
Als men ervan uitgaat, dat de linde is genoemd naar het zachte hout of de buigzame schors, dan bestaat er mogelijk verband met pie. *lenti- (IEW 677), waaruit pgm. *linþi- ‘soepel, zacht’; hierbij behoren woorden als ohd. lind(i) ‘mild, zacht’ (nhd. (ge)linde), os. līđi en oe. līþe.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

linde* [boom] {in de plaatsnaam Lintburc, nu Limburg (Luik) <1101>, linde, lende 1201-1250} oudsaksisch linda, oudhoogduits linta, oudengels lind(e) (engels linden), oudnoors lind; buiten het germ. russisch lut [lindebast (dial.)], pools łęt [twijg], litouws lenta [plank]; de grondbetekenis is ‘buigzaam’; de bast was een veel toegepast materiaal.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

linde znw. v., mnl. linde, lende v., os. linda, lindia, ohd. linta (nhd. linde), oe. lind, linde (ne. linden), on. lind v. Daarnaast nhd. dial. lind ‘bastʼ, on. lindi m. ‘gordelʼ.

Uhlenbeck KZ 40, 1907, 557 vergelijkt russ. lutĭjó ‘jong lindenbos, geschikt om ontschorst te wordenʼ (< *lontio), dial. lutŭ ‘lindenbastʼ, lit. lenta ‘plankʼ. — Daar de buigzame bast van de linde voor vlechtwerk en banden gebruikt werd, kan men het woord verder verbinden met nhd. lind, gelinde ‘zacht, toegevendʼ, os. līði, oe. līðe ‘zacht, mildʼ (ne. lithe ‘buigzaamʼ), nnoorw. linn ‘buigzaam, zachtʼ (vgl. lintworm), verder lat. lentus ‘buigzaam, taai; langzaamʼ (IEW 677). De verbinding met gr. elátē ‘pijnboomʼ is echter onzeker en wordt door Pokorny ook niet aanvaard.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

linde znw., mnl. linde (lende) v. = ohd. linta (nhd. linde), os. linda, lindia, ags. lind, linde (eng. linden), on. lind v. “linde”. Verwant met russ. lutjó “jong lindenbosch, geschikt om van de schors ontdaan te worden”, dial. lut, luť “lindenbast”, lit. lentà “plank”; misschien hierbij ook gr. elátē “pijnboom”, dat evenwel ook met russ. jálowec, witruss. jelenec “jeneverbes”, arm. ełevin “ceder” gecombineerd kan worden. Het etymologiseeren met idg. boomnamen is veelal een onzekere liefhebberij, zoo is ook de combinatie van linde enz. met lat. lentus “taai, buigzaam, langzaam” en met het bij lenig vermelde bnw. ohd. lindi enz. niet meer dan een mogelijkheid. Zie nog lint. Voor idg. boomnamen vgl. bij eik.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

linde v., Mnl. id., Os. linda + Ohd. linta (Mhd. linde. Nhd. id.), Ags. lind (Eng. id.), On. id. (Zw. en De. id.) + Gr. elátē = pijnboom, Lat. linter = boot (d.i. boomstam), Ru. lutjo = lindenbosch, Lit. lentà = plank.

Thematische woordenboeken

W. Deconinck (2019), Plantennamen nader toegelicht, Kortrijk.

linde
Zomerlinde | Tilia platyphyllos Scop.
Winterlinde | Tilia cordata Mill.

In het Middelnederlands heetten die bomen al linde of lende. Soms wordt gedacht dat de naam afgeleid is van het Latijnse woord lentus, dat buigzaam en taai betekent en dat zou dan betrekking hebben op de schors van de boom die als een buigzaam materiaal voor vlechtwerk, banden of touwen gebruikt kon worden; zeker is deze verklaring niet.

Zowel de Zomer- als de Winterlinde bloeien in juni-juli, maar de eerste bloeit een 14-tal dagen vroeger dan de tweede, wat de namen verklaart.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

linde* boomsoort 1101 [Claes]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut