Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

limoen - (citrusvrucht (Citrus aurantifolia))

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

limoen zn. ‘citrusvrucht (Citrus aurantifolia)’
Mnl. lymoen ‘citrusvrucht’ in appele van orangen of grote zideren of lymoenen ‘sinaasappels of grote citroenen of limoenen’ [1350-1400; MNW]; vnnl. limone ‘citrusvrucht’ in oranges, citroonen, limonen [1598; WNT uitgenomen]; nnl. limoen ‘groene citrusvrucht’ in de reclameslogan Fa, met de wilde frisheid van limoenen [1972; Philippa 1991].
Via Frans limon ‘citroen, limoen’ [ca. 1314; Rey] en Italiaans limone ‘id.’ [14e eeuw; DELI] ontleend aan Arabisch laimūn, līmūn ‘citroen, limoen’, waarschijnlijk ontleend aan Perzisch līmū, verbogen vormen līmūn(-), ‘id.’, dat ontleend moet zijn aan een Maleis-Polynesische taal. Mogelijk is de -n niet op het Perzisch terug te voeren, maar is -on een Spaans vergrotingsachtervoegsel bij het reeds eerder ontleende lime ‘citroen’. Via het Spaans-Arabisch zou het Arabisch dan weer de vorm līmūn hebben terug ontleend.
Limoen werd in het Middelnederlands en Vroegnieuwnederlands gebruikt voor citroenen en andere citrusvruchten; het woord raakte na de 19e eeuw in onbruik en kwam pas in de tweede helft van de 20e eeuw weer op, speciaal als benaming voor de groene vruchten van de Citrus aurantifolia.
De limoen is inheems in Zuidoost-Azië en werd door de Arabieren in het Midden-Oosten en Noord-Afrika geïmporteerd en gecultiveerd. In de periode van de kruistochten (11e-13e eeuw) raakte de vrucht ook in Zuid-Europa bekend.
lemmetje, limmetje zn. (NN) ‘limoen’. Vnnl. ronde vrugten, zoo groot als een Limmetje [1667; WNT limmet]; nnl. Limmetjens zyn de gemeenste vruchten in Surinamen ..., het is een soort van kleine Citroenen [1730; WNT limmet], een zuur lemmetje [1746; WNT lemmetje]. Ontleend aan Spaans of Portugees lima ‘limoen’, dat zelf ontleend is aan een Arabische nevenvorm līmā van līmūn ‘citroen, limoen’; omdat het een kleine vrucht betrof, kreeg lim(a) het Nederlandse verkleiningsachtervoegsel -etje, zie → -tje, met als resultaat limmetje en later ook de variant lemmetje. Het woord werd zowel in Oost- als West-Indië gebruikt voor kleine soorten citrusvruchten en is in Suriname blijven bestaan als lemmetje ‘limoen’. Ik ga even lemmetjes plukken is in het Surinaams Nederlands een eufemisme voor ‘ik moet even plassen’. In het Afrikaans bestaat het woord als lemmetjie.
Lit.: Philippa 1991, 27-28

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

limoen [citroen] {limoen, lemuen [kleine citroen] 1351-1400} < frans limon [idem] < turks limon [citroen] < perzisch līmūn [idem].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

limoen znw. m. ‘citroenʼ < fra. limon < arab. laimūn < perz. līmūn ‘citrus limonumʼ. — Daarvan is afgeleid limonade < fra. limonade, sedert de 16de eeuw < ital. limonata.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

lamoen, lemoen (disselboom met twee armen) o., mnl. lamoen, lemoen, limoen o. Uit fr. limon “lamoen”; dit is van onzekeren oorsprong. Voor de a vgl. bij toneel.

limoen znw., mnl. limoen (-uen) m. Uit fr. limon, dat via Zuid-Europa op arab. leimûn teruggaat. Dit is een ontl. uit perz. lîmûn, lêmûn, dat uit ’t Mal.-Polynesisch komt (bijv. mal. limau, jav. limo).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

limoen m., door Fr. limon, uit Perz. limūn = citroen, Hindust. līmū, een Maleis-Polyn. w. (Jav. limau).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

lemoen s.nw.
Oranje sitrusvrug waarvan die sap soeterig smaak wanneer dit ryp is.
Uit Ndl. lemoen, limoen (Mnl. limoen, lemuen). Ndl. lemoen, limoen verwys na die vrug wat in Afr. suurlemoen genoem word. Dit waarna in Afr. met lemoen verwys word, staan in Ndl. as appelsien, oranjeappel of sinaasappel bekend. Eerste optekeninge in Afr. by Changuion (1844) in die vorm lamoen en in Patriotwoordeboek (1902) in die vorme lemoen en limoen.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

lemoen: vrug- en pln. (spp. Citrus, fam. Rutaceae), as vRieb vrugtes. soos orangie appelen, lemoenen, ens., opnoem en orangieappel-ende lemoenboomtjes wil plant, dan is dit duidelik dat ons met twee soorte te doen het, want ons lemoen beantw. as vrug aan Ndl. appelsien, oranjeappel en sinaasappel en is reeds in die l7e eeu deur Dap, Dod e.a. as soetlemoen ondersk. teenoor die suurlemoen (Citrus medica) wat aan die Ndl. wd. limoen en die Eng. lemon beantw. Sedert die Kruistogte het d. vrug en naam geleidelik in Eur. bek. geraak en het die tale v. S.-Eur. (Fr. limon, Port. limão, Sp. limón, It. limone) die brug gevorm tussen die Ooste (Arab. laimūn/leimūn, Pers. līmūn/lēmūn, Mal.-Pol. limau/limo) en die Weste om aldus die tale v. W.-Eur. (Eng. lemon, Ndl. limoen en Hd. limone) te bereik.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

limoen (Frans limon)

R. Dozy (1867), Oosterlingen, verklarende lijst der Nederlandschen woorden die uit het Arabisch, Hebreeuwsch, Chaldeeuwsch, Perzisch en Turksch afkomstig zijn, 's-Gravenhage

Limoen
Het Perz. lîmoen (ook lîmoe en lîmoenâ), in ’t Arab. laimoen.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

limoen, lemmetje, limmetje ‘citroen’ -> Ambons-Maleis lémon ‘citroen’; Boeginees lêmo ‘citroen’ (uit Nederlands of Portugees); Kupang-Maleis lémon ‘citroen’; Letinees lemnu ‘sinasappel’; Madoerees limon ‘citroensap’; Menadonees lémon ‘citroen’; Ternataans-Maleis lémon ‘citroen’; Negerhollands lamuntši, lamuntje ‘citroen’; Berbice-Nederlands lemuna ‘citroen’; Papiaments lamunchi ‘soort citroen (Citrus aurantiifolia)’; Sranantongo lemki ‘kleine citrusvrucht’; Saramakkaans lémíkí ‘kleine citrusvrucht’; Arowaks limóna ‘citroen’ (uit Nederlands of Spaans); Karaïbisch alimiki ‘kleine citrusvrucht’ ; Tiriyó remiki ‘citroen’ ; Surinaams-Javaans limun ‘frisdrank’; Creools-Engels (Maagdeneilanden) † lamuntsi ‘citroen’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

limoen citroen 1351-1400 [MNW] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut