Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

limiet - (uiterste grens)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

limiet zn. ‘uiterste grens’
Mnl. limite ‘terreinbegrenzing’ in wonende binnen de voorsz. limiten ‘wonende binnen de genoemde grenzen’ [1273; MNW genich]; vnnl. limite ook overdrachtelijk in excederende die limiten van alle recht ‘de grenzen van alle recht te buiten gaand’ [1562-92; MNW vertasseren], niet buijten de behoorlijcke limiten ‘niet buiten acceptabele grenzen’ [1624; WNT]; nnl. limieten [1748; WNT], limiet [1847; Kramers].
Ontleend aan Frans limite ‘grenslijn, terreinbegrenzing’ [ca. 1372; Rey], later ook overdrachtelijk ‘beperking’ [1539; Rey], ontleend aan Latijn līmes (genitief līmitis) ‘grenspad, grenslijn’, verdere herkomst onzeker.
Latijn līmes is wrsch. verwant met Latijn līmen ‘dwarsbalk, drempel’, līmus ‘scheel’ < pie. *(e)lei-, *(e)li- ‘buigen’ (IEW 309); misschien hoort hierbij ook pgm. *limu-, waaruit on. lim(r) ‘tak, lid’ (nzw. lem ‘ledemaat’); oe. lim ‘tak, gewricht, ledemaat’ (ne. limb), eigenlijk dan: ‘(dwars) uitsteeksel’.
Het woord kwam aanvankelijk alleen in het meervoud voor en had in het Middelnederlands uitsluitend betrekking op natuurlijke grenzen van stukken land. Deze betekenis is verouderd en in het Vroegnieuwnederlands overgenomen door het Nederduitse leenwoord → grens. In diezelfde tijd ontstond voor limite de overdrachtelijke betekenis ‘beperking, hoogste grens’. In de handel gebruikte men hiervoor ook wel de pseudo-Italiaanse vorm limito ‘vastgestelde maximum prijs’ [1676; De Bruijn-van de Helm 1992] (in het Italiaans luidt het limite). Het enkelvoud limite, limiet verscheen vanaf de 17e eeuw.
limiteren ww. ‘begrenzen’. Mnl. eerst in de afleiding limitatie ‘begrenzing van land’ [1356; MNW paelsceidinge], dan limiteren ‘begrenzen’ in haer macht was ghelimiteert ‘hun macht was begrensd, beperkt’ [1460-80; MNW-R]. Ontleend aan Frans limiter [ca. 1310; Rey], ontleend aan Latijn līmitāre ‘afgrenzen’, afleiding van līmes ‘grens’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

limiet [grens] {limite 1350?} < frans limite < latijn limitem, 4e nv. van limes [grenslijn, grens].

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

† limiet znw., sedert de 16e eeuw. Uit fr. limite < lat. limes.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

limiet (Frans limite)

E.J. Dijksterhuis (1939), Vreemde woorden in de wiskunde

Limiet (< Fr. limite; < Lat. limes = grens).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

limiet grens 1350 [HWS] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut