Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

lijzig - (zacht, fijn, traag, zeurderig, slungelig)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

lijzig bn. ‘zacht, fijn, traag, zeurderig, slungelig’
Vnnl. lijsigh (bw.) ‘gemakkelijk, licht’ [1629; WNT], hoe lijsigh dat ic slape ‘hoe licht ik slaap’ [ca. 1650; WNT], lysige stukken ‘irritant langzame, saaie stukken’ [1683; via WNT]; nnl. een lijzigen, droomerigen Jan Salie, ... een zoutzak van een vent [1856; WNT zoutzak], de lijzig teemerig gezegde zinnetjes [1909; WNT].
Afgeleid met het achtervoegsel → -ig van het bn. lijs ‘zachtjes, traag’ < mnl. lijse ‘id.’ [1477; Teuth.], die beide na de 19e eeuw alleen nog gewestelijk voorkomen.
Naast mnl. lijse: mnd. līse ‘zwak, langzaam, zwak hoorbaar’; ohd. līso (nhd. leise ‘lichtjes, zwak hoorbaar, langzaam’); pgm.*līsa- <*leisa-; ablautend daarnaast pgm. *laisiz, waaruit os. lēs ‘minder’; oe. lǣs ‘in geringe mate’ (ne. nog in less ‘minder’ en least ‘minst’); ofri. lessa, les, lessera ‘minder’.
Pgm. *laisiz- is verwant met Grieks liaros ‘mild, zacht’, loisthos ‘laatste’; Litouws líesas ‘dun’; < pie. *leis-/*lois-/*lis- (IEW 662).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

lijzig* [langzaam] {1682} van lijs2 [suf persoon].

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

lijs znw., sedert Kil., die lijnse, lijse, lijsachtigh “lentus, lenis, ignavus homo” opgeeft. Het znw. lijnse, lijse is een substantiveering of afleiding van Kil. “lijns, lins. Ger. Sax. Sicamb. Lentus, mitis, lenis, placidus, submissus”. Dit bnw. = mhd.-alem. lins “slap”. Dit woord komt van een van de beide bij lenig besproken bases, idg, len- en lin-. Mhd. lîse (ohd. lîso bijw.; nhd. leise) “zacht, langzaam”, mnd. lîse “zacht”, mnl. lîse “zacht, gemakkelijk”, Teuth. lijse “zacht, langzaam” komen wsch. direct van de basis lī̆-; minder wsch. zijn ’t ospr. ndd.-fri. vormen met n-wegval. Ndl. lîse bestaat nog dial. Het kan ook in ’t znw. lijs zijn opgegaan. Vgl. ook de bij lens IV genoemde vormen: zij maken onze woordgroep niet doorzichtiger. — Lijzig komt bij Kil. nog niet voor, wel een bnw. lijnsachtigh en een bijw. lij(n)selick.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

lijzig bijv., van lijs.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

lijzig* irritant langzaam 1682 [Toll.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut