Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

lijvig - (corpulent, dik)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

lijvig zn. ‘corpulent, dik’
Mnl. livech ‘levenskrachtig, springlevend’ [1240; Bern.], dattu sijs lanc livech op der erden ‘opdat je lang op de aarde zult mogen leven’ [1384-95; MNW-P], soe livech ... dat sekerlijc sijn leven linct ‘zo levenskrachtig, dat zijn leven zeker langer zal duren’ [1400-20; MNW-R], dan overdrachtelijk ‘zwaar’ in lyvige wynen ‘zware, rijke wijnen’ [ca. 1475; MNW]; vnnl. lijvigh ‘corpulent, dik’ [1599; Kil.], niet swaer, vet, of lijvigh [1605; WNT], van zaken ‘groot, dik, zwaar’ in dit Agterspant te groot of te lyvig sijnde ‘als deze achterste balk te groot of te zwaar is’ [1697; WNT].
Afleiding met het achtervoegsel → -ig van → lijf.
De betekenis van lijf verschoof in het Middelnederlands van ‘(het) leven’ naar ‘lichaam’. De betekenis van lijvig paste zich hierbij aan, door de betekenis ‘met een groot/dik lijf’ aan te nemen. Het woord had tot in de 20e eeuw ook nog betrekking op personen, maar wordt sindsdien voornamelijk gebruikt voor dikke boeken, rapporten, dossiers enz.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

lijvig bnw., mnl. līvich ‘levenskracht hebbend, een lichaam hebbendʼ, mhd. lībec ‘een lichaam hebbendʼ; afl. van lijf.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

lijvig bnw., mnl. lîvich “levenskracht hebbend, een lichaam hebbend”. = mhd. lîbec “een lichaam hebbend”. Van lijf.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

lywig b.nw.
1. (t.o.v. wyn) Wat swaar is of substansie het. 2. (t.o.v. mense) Dik of geset. 3. (t.o.v. geskrifte) Wat baie bladsye beslaan.
Uit Ndl. lijvig (al Mnl. in bet. 1, 1605 in bet. 2, 1856 - 1859 in bet. 3), 'n afleiding met -ig van lijf 'lyf', in bet. 1 so genoem omdat die wyn ryk is aan soute en ekstrakstowwe en dus swaar of substansieel is of 'lyf' het, in bet. 2 omdat die persoon se lyf swaar is, en in bet. 3 omdat die geskrifte dik en swaar is en aan iemand herinner wat dik of geset is.
Ndl. lijvig in bet. 2 is wsk. 'n vertaling van Latyn corpulentus.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

lijvig ‘dik (ook gezegd van tabaksblad)’ -> Deens lejfig ‘(over tabak) makkelijk te bewerken, aardig, goed’ (uit Nederlands of Nederduits).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal