Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

lijs - (zacht en (zelfstandig gebruikt) suf persoon)

Etymologische (standaard)werken

H. Beelen en N. van der Sijs, ‘Woordsprong’, serie in: Onze Taal 2013-2018

Gekke henkie, malle pietje en jan salie

“Courtois is een houten klaas, die gozer moet in de Efteling gaan staan.” Zo omschreef René van der Gijp in het tv-praatprogramma Voetbal International de Belgische doelman Thibaut Courtois. Waar komt die weinig vleiende typering houten klaas vandaan? Houten klaas verwijst sinds de zeventiende eeuw naar een onhandige minnaar of – meer in het algemeen – een stijve kerel. In de negentiende eeuw opperde de volkskundige Jan ter Gouw dat de uitdrukking teruggaat op het blijspel Jan Claaszoon of de gewaande dienstmaagd van Thomas Asselijn uit 1683. Ter Gouw herinnerde zich ooit een oude kinderprent te hebben gezien met het onderschrift: “Jan Klaassens zit hier droog en stijf, En lacht om Saartje Jans zijn wijf.” Maar daar ligt niet de oorsprong, want houten klaas komt al voor in een woordenboek uit 1675.
Onze taal kent veel meer van zulke eigennamen ter typering van algemeen- menselijke eigenschappen. Een lange lijs is een lang, sloom persoon. Lijs is een verkorting van Elisabeth, al is er geen lange, slome vrouw bekend die zo heette en aan de basis heeft gestaan van de uitdrukking. Er zijn veel meer gevallen waarbij de naamgever onbekend is, bijvoorbeeld gekke henkie (waarvan we alleen weten dat de uitdrukking in 1928 voor het eerst in druk verscheen), en de oudere piet snot (sinds de zeventiende eeuw), een hele piet en een hoge piet. De bijnaam malle piet was al populair in de achttiende eeuw in uitdrukkingen als zo blij als malle piet en kijken als malle piet, lang vóór 1968, toen acteur Piet Ekel in de tv-serie Swiebertje de rol van Swiebertjes beste vriend Malle Pietje op zich nam.

IJzerenheinig
De meestgebruikte voornaam voor typeringen is van oudsher Jan. Ook bij jan hagel, jan modaal, jan met de pet, jan rap en jan lul is geen spoor te vinden van concrete historische personen van wie de naam aan de uitdrukking is verbonden.
Hetzelfde geldt voor ijzeren hein. “Dries van Agt bleef ijzerenheinig het verhaaltje opdreunen, dat hij kennelijk van tevoren had ingestudeerd en waarvan hij geen millimeter afweek”, schreef het Nieuwsblad van het Noorden in 1979 over het onverstoorbare optreden van de toenmalige minister-president tijdens een debat. De persoonstypering ijzeren hein, waarin hein een verkorting is van Hendrik, is sinds de negentiende eeuw in het Nederlands in omloop en lijkt zijn oorsprong in het leger te hebben; in 1884 wordt een nieuw aangestelde majoor geprezen omdat hij “bekend staat als een ijzeren hein (populair uitgedrukt) en de discipline uitmuntend weet te handhaven”.

(Holle)bolle gijs
In dezelfde Efteling waar volgens Van der Gijp Courtois thuishoort, staat sinds 1959 de bekende ‘Holle Bolle Gijs’: een afvalbak die voortdurend vraagt om “papier – hier”. In 1792 is in een kinderliedje al sprake van “de Hollebollewagen, daar [waar] de blinde Gijs op zat”. Als varianten waren vroeger “de schrokkerige Gijs” en “de hongerige Gijs” in omloop. Algemeen bekend raakte het lied bijna een eeuw later, door de Nederlandsche baker- en kinderrijmen van Johannes van Vloten (1871). Bij Van Vloten was het bijvoeglijk naamwoord bolle ook op Gijs overgesprongen. Van “bolle Gijs” naar het tegenwoordig overal gezongen “hollebolle Gijs” was vervolgens maar een kleine stap, want het vierlettergrepige “hollebolle” paste net als “schrokkerige” en “hongerige” prima in het metrum van het liedje.
Hollebolle gijs, intussen een gebruikelijke benaming voor een schrokop, gaat dus terug op een fictieve figuur uit een kinderliedje, niet op een historisch persoon.

Ultieme sukkel
Er zijn nog meer fictieve personages die aan de wieg hebben gestaan van een persoonstypering. De uitdrukking stijve piet is in 1628 gemunt door Willem Dirckszoon Hooft, die in dat jaar een klucht onder deze titel publiceerde. Van een brave hendrik is de bron De brave Hendrik, een opvoedkundig leesboekje voor jonge kinderen van N. Anslijn, uit 1810. Het begint zo: “Kent gij Hendrik niet, die altijd zoo beleefd zijnen hoed afneemt als hij voorbij gaat? Vele menschen noemen hem de brave Hendrik, omdat hij zoo gehoorzaam is, en omdat hij zich zoo vriendelijk jegens ieder gedraagt.” In 1841 publiceerde Anslijn een soortgelijk leesboekje voor meisjes, maar dat was minder succesvol, en de titel De brave Maria is dan ook geen gevleugelde naam geworden.
Jan salie gaat terug op de hoofdpersoon van De klucht van Jan Saly (1622) van – alweer – Willem Dirckszoon Hooft. Zijn hedendaagse bekendheid dankt Jan Salie aan Jan, Jannetje en hun jongste kind van E.J. Potgieter (1841), waarin Jan Salie als “patroon aller slaapmutsen” de lamlendigheid van de Nederlanders personifieert. Potgieter is ook de bedenker van de samenstelling jansaliegeest. De naam is afgeleid van het kruid salie, waarvan saliemelk werd getrokken: een probaat slaapmiddel, en dus het drankje bij uitstek voor de ultieme Hollandse sukkel.
[Hans Beelen en Nicoline van der Sijs (2015), ‘Gekke henkie, malle pietje’, in: Onze Taal 5, 135]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

lijs2* [zacht en (zelfstandig gebruikt) suf persoon] {lise [zacht, kalm] 1220-1240; als zn. ‘suf persoon’ ca. 1580} middelnederduits lise, oudhoogduits liso (hoogduits leise); daarnaast middelnederlands lins, lijns, middelhoogduits linse, verwant met lenig.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

lijs 2 znw. m.v. ‘suf, traag persoonʼ, sedert Kiliaen: lijnse, lijse ‘langzame, trage persoonʼ, een substantivering van het bnw. lijns, lins ‘langzaam, zacht, gedweeʼ (Ger. Sax. Sicamb.), vgl. nog mhd. alem. lins ‘slapʼ. — Dit woord is met een nasaal-infix gevormd van germ. *līsia, vgl. mnl. līse ‘zacht, gemakkelijkʼ (zuidnnl. lijs), mnd. līse ‘zachtʼ, ohd. bijw. līso ‘zacht, langzaamʼ, mhd. līse ‘zacht, langzaamʼ (nhd. leise), vgl. nog oe. gelīsian ‘glijdenʼ. Daarbij behoort ook germ. *laisiz ‘minderʼ: os. lēs, oe. læs (ne. less) en superl. ofri. lērest, lēst, oe. lœrest, lœst (ne. least). — lit. líesas, lett. líess ‘magerʼ en gr. liarós (< *lisəros) ‘mild, zachtʼ, loĩsthos ‘de overgeblevene, laatsteʼ. — Een s-afl. van de stam *lei ‘afnemen, verdwijnenʼ, waarvoor zie: lenig (IEW 662).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

lijs znw., sedert Kil., die lijnse, lijse, lijsachtigh “lentus, lenis, ignavus homo” opgeeft. Het znw. lijnse, lijse is een substantiveering of afleiding van Kil. “lijns, lins. Ger. Sax. Sicamb. Lentus, mitis, lenis, placidus, submissus”. Dit bnw. = mhd.-alem. lins “slap”. Dit woord komt van een van de beide bij lenig besproken bases, idg, len- en lin-. Mhd. lîse (ohd. lîso bijw.; nhd. leise) “zacht, langzaam”, mnd. lîse “zacht”, mnl. lîse “zacht, gemakkelijk”, Teuth. lijse “zacht, langzaam” komen wsch. direct van de basis lī̆-; minder wsch. zijn ’t ospr. ndd.-fri. vormen met n-wegval. Ndl. lîse bestaat nog dial. Het kan ook in ’t znw. lijs zijn opgegaan. Vgl. ook de bij lens IV genoemde vormen: zij maken onze woordgroep niet doorzichtiger. — Lijzig komt bij Kil. nog niet voor, wel een bnw. lijnsachtigh en een bijw. lij(n)selick.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

lijs m. en v., is het zelfst. geb. bijv.nw. *lijs = zacht, Mnl. lise + Ohd. lîsi (Mhd. lise, Nhd. leise); een bijvorm lijns wijst op verwantschap met lenig en Hgd. lind.

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

lijs: iemand waarin niet veel leven zit, die met geen stok vooruit te branden is; suffe, trage man of vrouw. Syn.: droogkloot*. Er bestaat ook een bijvoeglijk naamwoord lijzig (saai, zeurderig, traag).

Lijs, saaie, vervelende man of vrouw, misschien naar de onsmakelijke figuren, menschen voorstellende, die op de Chineesche ‘lange lijzen‘ stonden. (Taco de Beer & dr. E. Laurillard, Woordenschat, 1899)
Suikeren Pietje (1930) van Marie Schmitz met tekeningen van Freddie Langeler, schetst een jongetje ‘met een zuiver hart en gave hersens’, iemand die nooit stout is en toch geen lijs. (Toin Duijx en Joke Linders, De Goede Kameraad. Honderd jaar kinderboeken, 1991)
Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

lijs* suf persoon 1580 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut