Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

lijm - (plakmiddel)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

lijm zn. ‘plakmiddel’
Mnl. lim, lijm ‘lijm’ [1240; Bern.].
Os. līm; ohd. līm (nhd. Leim); ofri. līm (nfri. lym); oe. līm (ne. lime ‘kalk, vogellijm’); on. lím (nzw. lim); < pgm. *līma- < *leima- ‘kalk’; daarnaast met ablaut pgm. *laima-, zie → leem.
Buiten het Germaans alleen direct verwant met Latijn līmus ‘modder, slijk’ (< *leimos); < pie. *lei-mo-, *loi-mo-, afleidingen met -m bij de wortel pie. *h2leiH- ‘smeren (met vet), kleven’ (IEW 662-664), waarbij wrsch. ook Latijn linere ‘smeren’; Grieks liparós ‘vettig, glanzend’, alínein ‘besmeren’; Sanskrit ripta- ‘wat kleeft’, riprá- ‘vuil, vlek’, limpáti ‘kleeft’; Oudpruisisch layso ‘aarde, klei, leem’; Oudiers lenaid ‘hij volgt’ (ontwikkeld uit ‘aankleven’); Albanees leth ‘natte klei’; men moet dan wel (vanwege het Grieks) een wortel *h2l(e)i- aannemen. Mogelijk betreft het echter een wortel met s-mobile, pie. *(s)lei-, waardoor ook → slijk en → slijm verwant kunnen zijn.
Oorspr. betrof het een middel dat uit vochtige leem, kalk en/of ander materiaal bestond en als bindmiddel fungeerde.
lijmen ww. ‘met lijm vasthechten’. Mnl. limen ‘lijmen’ [1240; Bern.]. Afleiding van lijm.
Lit.: H. Krahe (1954), Sprache und Vorzeit, Heidelberg, 75

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

lijm* [plakmiddel] {lijm, lime [slijk, slijm, speeksel, lijm] 1201-1250} oudsaksisch līm [lijm], oudengels līm [lijm, kalk] (engels lime), oudhoogduits līm [leem, lijm], bij leem1slijm.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

lijm znw. m., mnl. lijm o. (m.?) ‘modder, speeksel, lijmʼ, os. līm m. ‘lijmʼ, ohd. līm m. ‘leem, lijmʼ (nhd. leim), oe. līm m. ‘lijm, kalkʼ (ne. lime), on. līm o. ‘lijm, kalkʼ. — lat. limus ‘modderʼ (alleen germ. ital. vgl. Krahe, Sprache und Vorzeit 75); m-formatie bij de idg. wt. *lei ‘smeren, besmerenʼ, vgl. gr. alínō ‘bestrijkenʼ, lat. lino ‘smerenʼ, gr. leĩos, lat. levis ‘gladʼ (IEW 662). — Zie ook: leem en slijm.

Men gaat uit van de idg. wt. *(s)lei ‘slijmerig, glad, uitglijdenʼ (IEW 662-664) waarvoor zie: slij en daarvan zijn de volgende afl. te vermelden:
*sleidh zie: sledderen
*sleib zie: slijpen
*leip zie: lijf, leven, blijven
*sleig zie: slijk, slecht
*(s)leim zie: leem, lijm en slijm.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

lijm znw., mnl. lijm o. (m.?) “modder, speeksel, lijm”. = ohd. lîm m. “leem, lijm” (nhd. leim), os. lîm m. “lijm” (mnd. ook o.), ags. lîm m. “lijm, kalk” (eng. lime), on. lîm o. “id.”, germ. *lîma- uit idg. *lei-mo-. Ablautend met leem.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

lijm v., Mnl. lijm, Os. lîm + Ohd. lîm (Mhd. id., Nhd. leim), Ags. lím (Eng. lime), On. lím (Zw. en De. lim): Germ. wrt. + Lat. limus (Fr. limon): Idg. wrt. lei̯. Leem is van den st. graad, lijm van den normalen vorm.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

lym s.nw.
Kleefstof wat o.a. verkry word deur dierlike afvalstowwe uit te kook.
Uit Ndl. lijm (al Mnl. in die bet. 'slik, slym, speeksel, kleefstof'). Ndl. lijm hou verband met Ndl. leem, Latyn limus en wsk. Ndl. slijm 'slym'. Dit is afgelei van 'n Indo-Germaanse woord wat 'stryk, smeer, kleef' beteken. Eerste optekening in Afr. in Patriotwoordeboek (1902).

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Lijm, evenals leem, van den Germ. wt. li, Idg. lei = smeren, met de bijgedachte: om te doen kleven.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

lijm ‘plakmiddel’ -> Ests liim ‘plakmiddel’ (uit Nederlands of Duits); Indonesisch lim, lém ‘plakmiddel’; Ambons-Maleis lèm ‘plakmiddel’; Jakartaans-Maleis lèm ‘plakmiddel’; Javaans elim, elin, lim, lin ‘plakmiddel’; Kupang-Maleis lèm ‘plakmiddel’; Madoerees ēllīm, līm, ēllem ‘plakmiddel’; Makassaars leng ‘fabriekslijm’; Menadonees lèm ‘plakmiddel’; Muna lemu ‘plakmiddel’; Ternataans-Maleis lèm ‘plakmiddel’; Creools-Portugees (Batavia) lem ‘plakmiddel’; Singalees † lēyin ‘plakmiddel’; Negerhollands liem ‘plakmiddel’; Papiaments leim (ouder: lijm, lym, leimu) ‘plakmiddel’; Sranantongo lèim, len, lin ‘plakmiddel’; Surinaams-Javaans lèm ‘plakmiddel’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

lijm* plakmiddel 1240 [Bern.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal