Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

lijfrente - (rente op iemands lijf)

Etymologische (standaard)werken

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

Lijfrente

De oudste betekenis van lijf, namelijk leven is in het woord lijfrente nog bewaard. Men vond die betekenis vroeger veelvuldig in thans enigszins verouderde uitdrukkingen en zegswijzen als: het lijf verbeuren, het lijf bergen (het leven redden), lijf en goed (in het Wilhelmus) enz. Ook in woorden als lijfsbehoud en lijftocht is de oude betekenis gebleven. Die van lichaam is daaruit voortgevloeid in later tijd. Een lijfrente is een jaarlijkse rente, te betalen gedurende het leven van een bepaalde persoon, na wiens dood het kapitaal dat de rente opleverde, aan de renteverstrekker, dus de verzekeringsmaatschappij, vervalt.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

lijfrente znw., reeds mnl., bewaart nog de oude bet. van lijf, nml. “leven”. Evenzoo lijfsbehoud znw. o., nog niet bij Kil., en lijftocht, mni. lijftocht v. “levensonderhoud, vruchtgebruik, weduwgift” = mhd. lîpzuht v. “levensonderhoud, weduwgift” (nhd. leibzucht), mnd. lîftucht v. “id., vruchtgebruik”. Het 2de lid = tocht, verbaalabstractum bij germ. *teuχanan “trekken”; vgl. lat. aetatem ducere “zijn leven doorbrengen” en ndl. een leven leiden. Een vreemdere samenst. is borgtocht.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut